ECLI:NL:PHR:2013:BZ6243
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing bosbouwvrijstelling op winst uit verkoop snijgroen bij tuindersbedrijf
Belanghebbende exploiteert samen met zijn zoon een tuindersbedrijf waarbij zij planten kweken en bomen en struiken snoeien voor de verkoop van snijgroen. De bomen en struiken staan al vele jaren in de volle grond en worden onderhouden door niet meer te kappen dan normaal bosbeheer vereist en waar nodig herplanting.
De Inspecteur weigerde de toepassing van de bosbouwvrijstelling op de winst uit de verkoop van snijgroen, wat door de Rechtbank werd bevestigd. Het Hof stelde echter dat het snijden van zijtakken niet strijdig is met de instandhoudingseis van het bos en oordeelde dat belanghebbende het bosbedrijf uitoefent, waardoor de vrijstelling ten onrechte werd onthouden.
De Staatssecretaris stelde in cassatie dat het Hof een te ruime invulling gaf aan de instandhoudingseis en dat het snijgroenbedrijf meer lijkt op fruitteelt, waarvoor de vrijstelling niet geldt. De Hoge Raad verwierp dit verweer, bevestigde de jurisprudentie dat de vrijstelling geldt indien het intact houden van het bos op de voorgrond staat en niet meer wordt gekapt dan normaal bosbeheer vereist. De conclusie van de Advocaat-Generaal was dat het beroep van de Staatssecretaris moet worden verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de bosbouwvrijstelling wordt toegepast op de winst uit verkoop van snijgroen.