ECLI:NL:PHR:2013:BZ6959

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 april 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
12/05438
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 224 lid 2 RvArt. 17 Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens onvoldoende zekerheid woonplaats in proceskostenzaak

In deze zaak ging het om een geschil over de verplichting van eiser tot het stellen van zekerheid voor proceskosten. De rechtbank Arnhem had eiser veroordeeld tot het stellen van zekerheid van € 10.634, omdat hij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij woonplaats had in Italië of Zwitserland. Eiser had wel documenten overgelegd, maar geen uittreksels uit bevolkingsregisters ter bevestiging.

Het hof Arnhem bevestigde dat eiser geen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland had, maar stelde de vraag of eiser woonplaats, gewone verblijfplaats of domicilie had in Zwitserland. Het hof concludeerde op basis van stukken en proceshouding dat eiser niet op het opgegeven Zwitserse adres woonde, ondanks een 'Wohnsitzbestätigung'.

Eiser stelde hiertegen cassatie in, maar de Hoge Raad oordeelde dat de motiveringsklacht geen grond voor cassatie bood. Het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard op grond van art. 80a RO, omdat eiser onvoldoende zekerheid had gesteld over zijn woonplaats, waardoor de proceskostenveroordeling bleef staan.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende zekerheid over woonplaats, waardoor eiser gehouden blijft tot zekerheidstelling voor proceskosten.

Conclusie

Zaak 12/05438
Mr. P. Vlas
Zitting, 22 februari 2013
Conclusie inzake art. 80a RO:
[Eiser],
tegen
1. [Verweerster 1],
2. [Verweerder 2],
3. [Verweerder 3],
4. [Verweerder 4]
(hierna [verweerder] c.s.)
1. Bij arrest van 18 september 2012 heeft het hof Arnhem geoordeeld in het hoger beroep dat door [eiser] is ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van 21 december 2011, gewezen in het incident op de voet van art. 224 Rv Pro. De rechtbank heeft [eiser] veroordeeld tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten voor een bedrag van € 10.634. De rechtbank heeft het verweer van [eiser] dat hij zowel in Italië als in Zwitserland woonplaats heeft en derhalve niet gehouden is tot zekerheidsstelling verworpen. [Eiser] heeft kopieën overgelegd van een Italiaanse identiteitskaart voorzien van een adres in Italië en van een Zwitserse verblijfsvergunning voorzien van een adres in Zwitserland. Dat [eiser] op die adressen woonplaats heeft, is volgens de rechtbank voor het overige niet toelicht en uittreksels uit het bevolkingsregister zijn niet overgelegd. In hoger beroep heeft het hof geoordeeld dat vaststaat dat [eiser] geen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland heeft en dat de vraag resteert of hij woonplaats of gewone verblijfplaats (art. 224 lid 2 sub b Rv Pro) dan wel in domicilie (art. 224 lid 2 sub a Rv Pro jo. art. 17 Haags Pro Rechtsvorderingsverdrag 1954) in Zwitserland heeft. Deze vraag is door het hof aan de hand van de mede in hoger beroep overgelegde stukken en aan de hand van de proceshouding van [eiser] ontkennend beantwoord. Tegen dit arrest heeft [eiser] heeft tijdig cassatie ingesteld.
2. De aangevoerde motiveringsklacht rechtvaardigt geen behandeling in cassatie, omdat de klacht klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden. Daartoe geldt het volgende. Het hof heeft overwogen dat vaststaat dat op zichzelf de door [eiser] overgelegde Zwitserse 'Wohnsitzbestätigung' van de Zwitserse Gemeinde Krens voldoende zou zijn om domicilie in de zin van art. 17 Haags Pro Rechtsvorderingsverdrag 1954 aan te nemen, maar dat door [eiser] niet is gereageerd op de door [verweerder] aangevoerde stellingen dat [eiser] niet op dat adres kan wonen en daarom nog steeds gerede twijfel bestaat of [eiser] daadwerkelijk op het opgegeven adres in Zwitserland woont. Dit oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk.
3. De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G