ECLI:NL:HR:2013:BZ6959

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 april 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
12/05438
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 224 lid 2 onder a en b RvArt. 17 Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens gebrek aan belang bij zekerheidsstelling proceskosten

In deze zaak heeft eiser cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem. Het geschil betreft de toepassing van art. 80a lid 1 van het Wetboek van Rechtsvordering (RO) inzake de zekerheidsstelling voor proceskosten en de vaststelling van woon- of gewone verblijfplaats in samenhang met art. 224 lid 2 onder Pro a en b Rv en art. 17 van Pro het Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954.

De verweerders in cassatie zijn niet verschenen en tegen hen is verstek verleend. De Procureur-Generaal heeft geadviseerd het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren, omdat eiser klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad sluit zich aan bij dit advies en oordeelt dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Daarom verklaart de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk op grond van art. 80a lid 1 RO. Tevens wordt eiser veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, welke aan de zijde van verweerders nihil worden begroot.

Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 12 april 2013.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang bij het beroep.

Uitspraak

12 april 2013
Eerste Kamer
12/05438
EV/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
in dit geding woonplaats kiezende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. J. Groen en mr. E.A.M. Brouwers-Bouwman,
t e g e n
1. [Verweerster 1],
gevestigd te [vestigingsplaats],
2. [Verweerder 2],
gevestigd te [woonplaats],
3. [Verweerder 3],
wonende te [woonplaats]
4. [Verweerder 4],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerder] c.s.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 219241/HA ZA 11-1193 van de rechtbank Arnhem van 9 november 2011 en 21 december 2011;
b. het arrest in de zaak 200.102.945 van het gerechtshof te Arnhem van 18 september 2012.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] c.s. is verstek verleend.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 7 maart 2013 op dit standpunt gereageerd.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 2).
De Hoge Raad zal daarom - gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 12 april 2013.