ECLI:NL:PHR:2013:BZ7196
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing werkgeversaansprakelijkheid bij val werknemer van laadklep
De zaak betreft een werknemer die op 2 februari 1999 tijdens het lossen van een vrachtauto van de laadklep viel en daarbij zijn heup brak. De werknemer stelde de werkgever aansprakelijk wegens schending van de zorgplicht volgens art. 7:658 BW Pro. De Kantonrechter wees de vordering toe, maar het Hof Amsterdam vernietigde dit en wees de vordering af, stellende dat de werkgever had voldaan aan haar zorgplicht.
De Hoge Raad beoordeelde het cassatieberoep en concludeerde dat het Hof terecht had geoordeeld dat de werkgever niet aansprakelijk was. Het Hof had de bewijsopdracht correct toegepast en had voldoende gemotiveerd dat de laadklep niet versleten was en dat de werkgever voldoende maatregelen had getroffen, waaronder het beschikbaar stellen van een handpomp. De stellingen van de werknemer over het ontbreken van een elektrische pompwagen en onvoldoende instructies werden door het Hof adequaat behandeld en niet onredelijk beoordeeld.
De Hoge Raad benadrukte dat art. 7:658 BW Pro geen risicoaansprakelijkheid inhoudt en dat de rechter terughoudend moet zijn met het opleggen van aanvullende zorgplichten zonder concrete aanwijzingen. Ook werd gewezen op het belang van een ordentelijke procesgang waarbij feitelijke discussie in een vroeg stadium moet plaatsvinden. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee een voorlopig eindpunt is bereikt in de rechtsontwikkeling omtrent werkgeversaansprakelijkheid in deze context.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de werknemer wordt verworpen; de werkgever is niet aansprakelijk voor het ongeval.