ECLI:NL:PHR:2013:BZ7202
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing vordering wegens onvoldoende bewijs van opzettelijk onjuiste verklaringen
De zaak betreft een civiele procedure waarin eiser stelt dat verweerster en diens broers hem valselijk hebben beschuldigd van betrokkenheid bij een aanslag op hun werkgever, die later overleed. Eiser vordert verklaring voor recht dat verweerster onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de schade.
De rechtbank en het hof oordeelden dat eiser onvoldoende concrete feiten en bewijs heeft geleverd om de opzettelijke onjuistheid van de verklaringen aan te tonen. Het hof passeerde het bewijsaanbod van eiser wegens tekortschieten in zijn stelplicht jegens verweerster. Tevens oordeelde het hof dat het bewijs onvoldoende was dat de broers onderling een afspraak hadden gemaakt om valse verklaringen af te leggen.
Eiser klaagde in cassatie over het passeren van bewijsaanbod en over schending van het gelijkheidsbeginsel (equality of arms), maar de Hoge Raad bevestigt dat in civiele procedure de bewijslast bij de partij ligt die zich op feiten beroept. De civiele procedure is niet onrechtvaardig geweest en het hof heeft het bewijsaanbod terecht niet toegelaten. De conclusie is dat de cassatie wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de afwijzing van de vordering wegens onvoldoende bewijs van opzettelijke onjuiste verklaringen.