ECLI:NL:PHR:2013:BZ9161
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over belastingheffing royalty's uit octrooi na onderzoek in Engeland
Belanghebbende verrichtte in de jaren 1990-1992 postdoctoraal onderzoek aan een instituut in Engeland (A) en sloot een overeenkomst waarbij patenten voortkomend uit dit onderzoek aan A toekwamen. Belanghebbende ontving in de jaren 2000 royalty's uit de commerciële exploitatie van deze patenten. De inspecteur rekende deze royalty's tot het inkomen uit werk en woning, wat belanghebbende betwistte met het argument dat er geen bron van inkomen was en dat de inkomsten aan Engeland toekwamen op grond van het belastingverdrag.
De rechtbank en het hof verklaarden het beroep van belanghebbende ongegrond, stellende dat de activiteiten in het economische verkeer plaatsvonden en de royalty's als resultaat uit overige werkzaamheden belastbaar zijn in Nederland. In cassatie betoogde belanghebbende dat er geen bron was en dat het voordeel niet te verwachten was, en dat de inkomsten aan Engeland toekwamen vanwege een vast middelpunt aldaar.
De A-G concludeert dat de criteria 'voordeel beogen en verwachten' niet van zelfstandige betekenis zijn indien het voordeel in het economische verkeer wordt behaald. Belanghebbende had een vast middelpunt in Engeland en verrichtte zelfstandige arbeid, waardoor de royalty's als onderdeel van het vermogen van die werkzaamheid aan dat middelpunt toebehoren. Het hof maakte een onjuiste rechtsopvatting door dit niet te erkennen. De Hoge Raad verklaart het beroep gegrond en kan de zaak zelf afdoen.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond en oordeelt dat de royalty's belastbaar zijn in Nederland als resultaat uit overige werkzaamheden.