Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te ’s-Hertogenboschvan 9 december 2011, nr. 10/00204, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
Hoge Raad
Belanghebbende, die in de jaren 1990-1992 postdoctoraal onderzoek verrichtte aan een Brits instituut ([A]) en daarvoor later onregelmatig betalingen ontving, werd geconfronteerd met een aanslag inkomstenbelasting in Nederland over deze betalingen. Het hof had geoordeeld dat deze betalingen in Nederland als resultaat uit overige werkzaamheden belastbaar waren en dat het heffingsrecht exclusief aan Nederland toekwam.
De Hoge Raad stelde vast dat belanghebbende de uitvindersrechten aan [A] had afgestaan en dat de betalingen niet als royalty’s in de zin van het belastingverdrag konden worden aangemerkt. De werkzaamheden waren verricht in het Verenigd Koninkrijk en niet in dienstbetrekking. Daarom kwalificeerden de betalingen als voordelen uit zelfstandige arbeid die toerekenbaar zijn aan een vast middelpunt in het Verenigd Koninkrijk.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest en bepaalde dat het heffingsrecht over deze baten aan het Verenigd Koninkrijk toekomt, waarbij Nederland deze inkomsten in het wereldinkomen mag betrekken met toepassing van een dubbele belastingvermindering. Tevens werden proceskosten aan belanghebbende toegewezen.
Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van het belastingverdrag Nederland-Verenigd Koninkrijk op inkomsten uit zelfstandige arbeid en de afbakening met royalty’s, met gevolgen voor de heffingsbevoegdheid tussen woon- en werkstaat.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en bepaalt dat de betalingen als inkomsten uit zelfstandige arbeid in het Verenigd Koninkrijk belastbaar zijn, met toepassing van dubbele belastingvermindering in Nederland.