ECLI:NL:PHR:2013:BZ9956
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieverzoek bij afwijzing vaststelling Nederlanderschap wegens valse persoonsgegevens
Verzoeker, oorspronkelijk van Sierraleoonse nationaliteit, diende een verzoek in tot vaststelling van het Nederlanderschap op grond van artikel 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). De rechtbank 's-Gravenhage wees dit verzoek af omdat uit onderzoek bleek dat verzoeker in de naturalisatieprocedure valse persoonsgegevens had gebruikt, namelijk dat hij niet uit Sierra Leone maar uit Gambia afkomstig was.
De rechtbank oordeelde dat het naturalisatiebesluit, dat dateert van vóór 1 april 2003, moet worden beoordeeld aan de hand van de criteria zoals vastgesteld in een eerder arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2006. Daarbij is vastgesteld dat het gebruik van valse of fictieve persoonsgegevens tot afwijzing kan leiden, tenzij bijzondere omstandigheden aannemelijk worden gemaakt. Verzoeker heeft dergelijke bijzondere omstandigheden niet gesteld.
In het cassatieberoep betoogde verzoeker onder meer dat hij steeds de juiste persoonsgegevens had verstrekt en dat de rechtbank artikel 14 RWN Pro onjuist had uitgelegd. De Hoge Raad verwierp deze klachten omdat zij feitelijke beoordelingen betroffen die niet in cassatie aan de orde kunnen komen en omdat artikel 14 RWN Pro niet van toepassing was op de naturalisatie van vóór 1 april 2003.
De Hoge Raad concludeerde dat het cassatieberoep klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk op grond van artikel 80a van het Wetboek van Rechtsvordering.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het gebruik van valse persoonsgegevens in de naturalisatieprocedure.