ECLI:NL:PHR:2013:BZ9956

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 juni 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
13/01132
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Rijkswet op het NederlanderschapArt. 14 Rijkswet op het NederlanderschapArt. 80a Wetboek van Rechtsvordering
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieverzoek bij afwijzing vaststelling Nederlanderschap wegens valse persoonsgegevens

Verzoeker, oorspronkelijk van Sierraleoonse nationaliteit, diende een verzoek in tot vaststelling van het Nederlanderschap op grond van artikel 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). De rechtbank 's-Gravenhage wees dit verzoek af omdat uit onderzoek bleek dat verzoeker in de naturalisatieprocedure valse persoonsgegevens had gebruikt, namelijk dat hij niet uit Sierra Leone maar uit Gambia afkomstig was.

De rechtbank oordeelde dat het naturalisatiebesluit, dat dateert van vóór 1 april 2003, moet worden beoordeeld aan de hand van de criteria zoals vastgesteld in een eerder arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2006. Daarbij is vastgesteld dat het gebruik van valse of fictieve persoonsgegevens tot afwijzing kan leiden, tenzij bijzondere omstandigheden aannemelijk worden gemaakt. Verzoeker heeft dergelijke bijzondere omstandigheden niet gesteld.

In het cassatieberoep betoogde verzoeker onder meer dat hij steeds de juiste persoonsgegevens had verstrekt en dat de rechtbank artikel 14 RWN Pro onjuist had uitgelegd. De Hoge Raad verwierp deze klachten omdat zij feitelijke beoordelingen betroffen die niet in cassatie aan de orde kunnen komen en omdat artikel 14 RWN Pro niet van toepassing was op de naturalisatie van vóór 1 april 2003.

De Hoge Raad concludeerde dat het cassatieberoep klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk op grond van artikel 80a van het Wetboek van Rechtsvordering.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het gebruik van valse persoonsgegevens in de naturalisatieprocedure.

Conclusie

Zaak 13/01132
Mr. P. Vlas
Zitting, 26 april 2013
Conclusie inzake art. 80a RO
[Verzoeker],
verzoeker tot cassatie
tegen
De Staat der Nederlanden (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
(hierna: de Staat)
1. Bij beschikking van 13 december 2012 heeft de rechtbank 's-Gravenhage het verzoek van verzoeker tot vaststelling van de Nederlandse nationaliteit op de voet van art. 17 Rijkswet Pro op het Nederlanderschap (RWN) afgewezen. Tegen deze beschikking heeft verzoeker tijdig beroep in cassatie ingesteld.
2. Bij KB van 13 oktober 2000 is aan verzoeker, van Sierraleoonse nationaliteit, het Nederlanderschap verleend. Bij brief van 29 oktober 2009 heeft de IND bericht dat verzoeker nimmer de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, omdat hij in de naturalisatieprocedure gebruik heeft gemaakt van een valse identiteit, aangezien hij niet afkomstig zou zijn uit Sierra Leone maar uit Gambia. De rechtbank heeft onder verwijzing naar HR 30 juni 2006 (LJN: AV0054, NJ 2007/551, m.nt. G.R. de Groot) overwogen dat nu het naturalisatiebesluit dateert van vóór 1 april 2003, beoordeeld moet worden of verzoeker het naturalisatiebesluit heeft verkregen met gebruikmaking van valse of fictieve persoonsgegevens en, zo dat het geval is, of bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat verzoeker wel voldoende geïdentificeerd was. De rechtbank heeft overwogen dat sprake is van valse of fictieve persoonsgegevens en dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden als bedoeld in de beschikking van de Hoge Raad van 30 juni 2006.
3. De aangevoerde klachten rechtvaardigen geen behandeling in cassatie, omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Daartoe geldt het volgende. Middel 1, waarin wordt betoogd dat verzoeker steeds de juiste persoonsgegevens heeft verstrekt, faalt omdat het betrekking heeft op een beoordeling van de feiten waarvoor in cassatie geen plaats is. Het oordeel van de rechtbank dat verzoeker de Gambiaanse nationaliteit heeft, is niet onbegrijpelijk en evenmin onvoldoende gemotiveerd. Middel 2 betoogt dat de rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan art. 14 RWN Pro. Dit middel faalt, omdat de rechtbank art. 14 RWN Pro niet heeft toegepast, nu het een naturalisatie betreft van vóór 1 april 2003 (rov. 4.1). Middel 3 betoogt dat de rechtbank een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven door te overwegen dat niet is gesteld of gebleken van bijzondere omstandigheden als bedoeld in de beschikking van de Hoge Raad van 30 juni 2006. Dit middel faalt, omdat in de gedingstukken bij de rechtbank geen beroep is gedaan op dergelijke bijzondere omstandigheden.
4. De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G