ECLI:NL:PHR:2013:CA3845
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid bestuurder wegens misbruik derdengelden en kennelijk onbehoorlijk bestuur bij faillissement Legal Point
Eiser was statutair bestuurder en feitelijk beleidsbepaler van meerdere vennootschappen die een advocatenpraktijk dreven, maar zelf geen advocaat was. Legal Point kampte met ernstige liquiditeitsproblemen en een forse belastingschuld. Onderzoek door de Raad van Discipline en een registeraccountant toonde aan dat derdengelden onrechtmatig werden gebruikt, met een tekort van ruim €136.000.
De Rabobank stopte kredietverlening na een waarschuwing van de Deken van de Orde van Advocaten over het misbruik van derdengelden. De vennootschappen werden failliet verklaard. De curator stelde eiser aansprakelijk wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur op grond van art. 2:248 BW Pro, omdat het misbruik en onttrekken van gelden het voortbestaan van Legal Point in gevaar brachten.
De rechtbank en het hof oordeelden dat het misbruik en onttrekken van gelden zonder grond kennelijk onbehoorlijk was en een belangrijke oorzaak van het faillissement vormde. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep, bevestigde het oordeel van het hof en benadrukte dat het feit dat het faillissement op eigen aangifte werd uitgesproken en dat andere factoren meehielpen, niet afdoet aan de aansprakelijkheid van de bestuurder.
De Hoge Raad wees ook klachten af over het ontbreken van een volledig onderzoek naar de boekhouding en de omvang van het boedeltekort, en over de stellingen van eiser dat de onttrokken gelden boekhoudkundig waren gecorrigeerd. Het oordeel van het hof was begrijpelijk en berustte op voldoende feiten en rechtsoverwegingen.
De conclusie is dat eiser als bestuurder hoofdelijk aansprakelijk is voor het faillissementstekort wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur door misbruik van derdengelden en onttrekking van gelden, conform art. 2:248 BW Pro.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de aansprakelijkheid van de bestuurder wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur volgens art. 2:248 BW.