Middelonderdeel 4 (“Positie curator”) stelt voorop dat het hof de curator in deze op één lijn stelt met een professionele kredietverlener, een bank, en dat het hof de vergaande waarschuwingsplichten met de daaraan verbonden zware sancties baseert op de omstandigheid dat een faillissementscurator in de regel beter in staat zal zijn om het risico dat de borg loopt te beoordelen dan de particulier die uit hoofde van zijn persoonlijke relatie tot de schuldenaar bereid is borg te staan. Het onderdeel betoogt dat deze vergelijking om verschillende redenen niet doeltreffend is. Dit betoog wordt in de volgende zes subonderdelen nader uitgewerkt.
Middelonderdeel 4a betoogt dat in de eerste plaats zij herhaald hetgeen door onderdeel 3a reeds is gesteld, te weten dat van het “inschatten van risico’s” geen sprake was maar veeleer van een onontkoombaar verhaal van de schulden van [betrokkene 2] op de vermogensbestanddelen van [verweerster].
Middelonderdeel 4b herhaalt hetgeen door onderdeel 2b is gesteld, te weten dat [verweerster] in de visie van de curator geen buitenstaander is, maar tot over haar oren in de zakelijke verhouding van [betrokkene 2] tot de boedels is betrokken.
Middelonderdeel 4c herhaalt hetgeen door onderdeel 3 is betoogd, te weten dat het hof verlangt dat de curator [verweerster] waarschuwde voor de (verkeerde) interpretatie die [verweerster] (en [betrokkene 2]) aan de borgtochtakte gaven, zulks terwijl onverklaard blijft (en in ieder geval niet gemotiveerd wordt) hoe de curator van die te optimistische veronderstellingen op de hoogte had kunnen zijn, resp. komen, resp. daarop had kunnen anticiperen
Middelonderdeel 4d betoogt dat een groot en fundamenteel verschil bestaat tussen de positie van een curator in een faillissement en de positie van een bank. Een professioneel kredietverlener als een bank, staat in een contractuele relatie tot de hoofddebiteur en zal tegenover de voorgestelde borg veelal aan de zorgplicht van een financieel dienstverlener hebben te voldoen. Voor een faillissementscurator geldt dit niet. Deze staat niet in een contractuele – en zeker niet in een dienstverlenende – positie tot betrokkenen en heeft in de eerste plaats tot taak de failliete boedel te vereffenen en in dat kader zoveel mogelijk baten te incasseren. Het onderdeel betoogt dat daarmee natuurlijk niet gezegd wil zijn dat een curator niet verplicht kan zijn te eniger tijd voorlichting te verstrekken (zoals op eenieder kan ook op een curator tot op zekere hoogte de verplichting rusten ervoor te waken dat een potentiële contractspartij onder invloed van onjuiste voorstellingen c.q. veronderstellingen zijn toestemming geeft), maar dat geen sprake is van een voorlichtingsverplichting van een faillissementscurator tegenover een voorgestelde borg als door het hof bedoeld. Het middelonderdeel stelt dat daarbij tevens niet uit het oog mag worden verloren dat de belangen van de curator en die van (in dit geval) [verweerster] volstrekt tegenstrijdig waren resp. zijn en dat een voorlichtingsplicht als in dit geval door het hof aangenomen de curator dus ook rechtstreeks in conflict zou kunnen brengen met zijn hoofdverplichting zoveel mogelijk baten voor de boedel te realiseren.
Middelonderdeel 4e voegt daaraan toe dat bij dit alles nog valt te bedenken dat de curator [verweerster] hééft gewaarschuwd, namelijk door het opnemen in de borgtochtakte van de bepaling dat [verweerster] zich van de aan de borgtochtovereenkomst verbonden risico’s bewust was en dat de (toenmalige) curator haar (zij het slechts in voormelde algemene bewoordingen) op die risico’s heeft gewezen (vgl. rov. 3.10 van het tussenarrest).
Middelonderdeel 4f voegt daaraan toe dat de juiste lezing van de borgtochtakte, naar ‘s hofs eigen vaststelling in rov. 3.10 van het tussenarrest, zich uit de borgtochtovereenkomst liet afleiden terwijl de door [verweerster] aangevoerde, in rov. 3.10 van het tussenarrest genoemde omstandigheden dat niet anders maakten. Het onderdeel concludeert dat [verweerster] een beroep doet op een oneigenlijke dwaling die zij door het tijdig inwinnen van adequaat (en in ieder geval van voor haar rekening en risico komend) juridisch advies had kunnen voorkomen.