In deze zaak stond de inzet van een Britse opsporingsambtenaar (A-1702) centraal, waarbij het hof oordeelde dat sprake was van onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek. Deze vormverzuimen hielden onder meer in dat de bevelen voor stelselmatige informatie-inwinning niet de volledige periode dekten en niet duidelijk maakten dat een buitenlandse opsporingsambtenaar werd ingezet. Het hof sloot daarom het bewijsmateriaal dat via deze inzet was verkregen uit en sprak verdachte vrij van het ten laste gelegde.
De Advocaat-Generaal stelde cassatieberoep in tegen deze vrijspraak. De Hoge Raad herhaalt de criteria voor bewijsuitsluiting bij vormverzuimen zoals neergelegd in art. 359a Sv en relevante jurisprudentie. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de vormverzuimen een aanzienlijke schending van een belangrijk strafvorderlijk voorschrift opleverden die bewijsuitsluiting rechtvaardigen. Het hof heeft onvoldoende aandacht besteed aan de belangen van verdachte, het belang van het geschonden voorschrift en het nadeel dat de vormverzuimen veroorzaakten.
De Hoge Raad benadrukt dat bewijsuitsluiting alleen aan de orde kan komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen en indien sprake is van een belangrijke schending die het recht op een eerlijk proces raakt of een andere zwaarwegende reden oplevert. In deze zaak was niet vastgesteld dat de inzet van de buitenlandse opsporingsambtenaar oncontroleerbaar was of dat sprake was van een ernstige inbreuk op de privacy van verdachte.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof voor zover het de vrijspraak betreft en verwijst de zaak terug voor een nieuwe beslissing. De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad onderstreept dat de inzet van buitenlandse opsporingsambtenaren bijzondere zorgvuldigheid vereist en dat de schriftelijke bevelen dit duidelijk moeten reflecteren.
Deze zaak illustreert de strenge toetsing van vormverzuimen en de voorwaarden waaronder bewijsuitsluiting kan worden toegepast, met nadruk op de bescherming van het recht op een eerlijk proces en de integriteit van het opsporingsonderzoek.