ECLI:NL:HR:2007:AZ8795
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- J. de Hullu
- W.M.E. Thomassen
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onrechtmatige lijfsvisitatie bij douanecontrole op Schiphol
In deze strafzaak stond centraal of een lijfsvisitatie waarbij de natuurlijke holten van het onderlichaam van een niet-verdachte persoon werden geschouwd, kon worden uitgevoerd op grond van artikel 17 van Pro de Douanewet. Verdachte werd verdacht van het smokkelen van cocaïne via haar lichaam bij aankomst op Schiphol.
Het hof had de verdachte vrijgesproken omdat het onderzoek, waarbij zij zich moest ontkleden en een bol cocaïne werd ontdekt, onrechtmatig was. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat het onderzoek kwalificeert als een 'onderzoek in het lichaam' zoals bedoeld in artikel 56 van Pro het Wetboek van Strafvordering, waarvoor strikte waarborgen gelden. De Douanewet bevat echter geen specifieke regeling die een dergelijke ingrijpende lijfsvisitatie toestaat.
De Hoge Raad oordeelt dat de douane niet dezelfde bevoegdheden heeft als het opsporingsapparaat en dat een dergelijke bevoegdheid expliciet in de wet moet zijn geregeld vanwege het grondrecht op onaantastbaarheid van het lichaam. Het bewijs dat uit de onrechtmatige lijfsvisitatie voortkomt, is daarom uitgesloten. Het beroep in cassatie wordt verworpen en de vrijspraak blijft in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak wegens onrechtmatige lijfsvisitatie en sluit het bewijs uit.