Conclusie
2.Procesverloop
3.Inleiding
volstrektmank gaat en het
verrevan mij is om zelfs maar te suggereren dat [verweerder] handelwijze ook maar een beetje vergelijkbaar is met misstanden elders op de wereld en in de (recente geschiedenis) illustreert de (volkenrechtelijke) rechtspraak dat men zich niet kan verschuilen achter noties zoals: zo ging dat nu eenmaal of het werd mij opgedragen. De reden waarom ik die voorbeelden noem, ligt
nietin de inhoudelijke parallel, want die is
volledigafwezig. Maar de reden waarom zo’n verweer niet opgaat, is in essentie dezelfde. Bij gedrag dat er rechtens niet mee door kan, kan niet met vrucht worden tegengeworpen dat dit nu eenmaal de mode van de tijd was wanneer degene die zich aan bepaalde handelingen te buiten ging ook destijds redelijkerwijs moet hebben begrepen dat wat hij deed de toets der kritiek niet kon doorstaan.
kandaarin een grond gelegen zijn om de handelwijze niet als
rechtensverkeerd te bestempelen. Maar dat laatste is geen wet van Meden en Perzen, zoals bijvoorbeeld de asbestjurisprudentie leert. Wederom: de geschiedenis leert en wij allen weten dat hetgeen maatschappelijk wordt “aanvaard” in voorkomende gevallen zó verkeerd is dat men zich later niet kan verschuilen achter bepaalde modetrends.
4.Bespreking van de klachten
van de aansprakelijkheidvoor het been niet te stade. [12]
hypothetischesituatie. Het oordeel, neergeslagen in rov. 2.19, acht ik met de steller van het onderdeel onbegrijpelijk. Ik meen er evenwel, mede om de onder 5 genoemde reden, verder niet op in te hoeven gaan. Gezien het slagen van de eerste twee onderdelen mist de bank bij deze klacht belang.
dusevenmin integer is in de zin van de code. De reden voor deze gelijkschakeling is gelegen in de omstandigheid dat het gaat om in het kader van [verweerder] werkzaamheden verrichte handelingen die het vertrouwen van een bank in een werknemer redelijkerwijs ondermijnen, terwijl die gedragingen, indien deze bekend zouden worden, ook de reputatie van de bank zouden (kunnen) schaden.
in de zin van de codekan worden aangemerkt. Ik veronderstel dat het Hof daarmee tot uitdrukking brengt dat niet elk niet integer handelen als bedoeld onder 4.9 daarmee tevens niet integer is in de zin van de code. De reden voor dat oordeel is in deze lezing allicht gelegen in de grote vaagheid van de code.