ECLI:NL:PHR:2014:116

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 februari 2014
Publicatiedatum
11 maart 2014
Zaaknummer
13/01255
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 lid 2 SvArt. 440 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging verstekverlening wegens schending aanwezigheidsrecht verdachte

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte niet-ontvankelijk werd verklaard in hoger beroep wegens het niet verschijnen ter terechtzitting. Verdachte was veroordeeld wegens het niet verzekeren van een motorrijtuig.

Het hof verleende verstek omdat verdachte niet was opgekomen, terwijl het hof wist dat verdachte sinds december 2009 op een adres in Groningen stond ingeschreven. De dagvaarding was echter op 27 november 2009 aan de griffier uitgereikt omdat toen geen adres bekend was, en pas op 18 januari 2010 werd een afschrift van de dagvaarding naar het inmiddels bekende adres gestuurd, slechts twee dagen voor de zitting van 20 januari 2010.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte verstek verleende zonder de zaak aan te houden, omdat het recht van verdachte op aanwezigheid niet voldoende was gewaarborgd. De termijn tussen betekening en zitting was te kort om aan te nemen dat verdachte afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. De bestreden uitspraak wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe behandeling.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onrechtmatige verstekverlening en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe behandeling.

Conclusie

Nr. 13/01255
Zitting: 4 februari 2014
Mr. Knigge
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 20 januari 2010 verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank te Haarlem van 10 februari 2009, waarbij verdachte wegens “als bezitter voor een motorrijtuig waarvoor een kentekenbewijs is afgegeven niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen sluiten en in stand houden” is veroordeeld tot hechtenis voor de duur van twee weken en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van zes maanden.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.
3. Namens verdachte heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld.
4.
Het middel
4.1. Het middel klaagt dat het Hof ter terechtzitting van 20 januari 2010 ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, verstek heeft verleend tegen de verdachte, althans de behandeling van de zaak niet heeft aangehouden. Daartoe is aangevoerd dat verdachte niet is opgeroepen op het – bij het Hof bekende – adres waarop hij sinds 3 december 2009 stond ingeschreven.
4.2. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
(i) blijkens het GBA-overzicht van 27 november 2009, gehecht aan de akte van uitreiking behorende bij de appeldagvaarding voor de zitting van 20 januari 2010, was verdachte vanaf 10 september 2008 “zonder vaste woon- of verblijfplaats”;
(ii) blijkens het GBA-overzicht van 18 januari 2010, gehecht aan de akte van uitreiking behorende bij de appeldagvaarding voor de zitting van 20 januari 2010, stond verdachte vanaf 3 december 2009 ingeschreven op het adres [b-straat 1] te Groningen;
(iii) de appeldagvaarding om te verschijnen ter terechtzitting bij het Hof op 20 januari 2010 is blijkens de bij de dagvaarding behorende akte van uitreiking op 27 november 2009 aan de griffier van de Rechtbank te Amsterdam uitgereikt, omdat van de geadresseerde op dat moment geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was, en op 18 januari 2010 is een afschrift van de appeldagvaarding gestuurd naar het inmiddels bekend geworden GBA-adres van verdachte: [b-straat 1] te Groningen;
(iv) op 20 januari 2010 heeft het Hof de zaak bij verstek behandeld en terstond arrest gewezen, waarbij de verdachte gelet op het bepaalde in art. 416 lid 2 Sv Pro niet-ontvankelijk is verklaard in het hoger beroep. Ter zitting was verdachte noch een voor hem optredend advocaat aanwezig. In het arrest is, voor zover van belang, vermeld:
“naam: [achternaam verdachte]
voornamen: [voornaam verdachte]
(…)
adres: [b-straat 1], (…) Groningen.”
4.3. Het middel is gelet op in het bijzonder HR 22 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9097 gegrond. Weliswaar is in deze zaak, anders dan in genoemd arrest het geval was, nog wel een afschrift van de dagvaarding naar het later bekend geworden GBA-adres gestuurd, maar nu dit eerst twee dagen vóór de zitting is geschied, is geen sprake van een situatie waarin het Hof mocht aannemen dat de verdachte afstand van zijn aanwezigheidsrecht had gedaan.
5. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv Pro gegronde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG