ECLI:NL:PHR:2014:1469

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 juni 2014
Publicatiedatum
26 augustus 2014
Zaaknummer
13/01718
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 588 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onjuiste betekening appeldagvaarding naar buitenlands adres

De zaak betreft de vraag of de appeldagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend aan verdachte die geen woon- of verblijfplaats in Nederland had, maar wel een adres in het buitenland. Verdachte werd verdacht van bezit van een vals reisdocument en was aangehouden op Schiphol. Tijdens verhoren gaf hij een adres in Iran op. Het hof verklaarde verdachte niet-ontvankelijk in hoger beroep omdat de dagvaarding naar het buitenland niet was verzonden, maar oordeelde dat de betekening rechtsgeldig was.

De Hoge Raad overweegt dat op grond van art. 588 lid 2 Sv Pro de dagvaarding moet worden verzonden naar het laatst bekende buitenlandse adres indien geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is. Het hof had niet vastgesteld dat het buitenlandse adres achterhaald was, en er was geen bewijs dat de dagvaarding daadwerkelijk naar dat adres was verzonden.

Daarom is het oordeel van het hof dat de dagvaarding rechtsgeldig is betekend onvoldoende gemotiveerd en onjuist. De Hoge Raad vernietigt het arrest en laat de verdere klachten buiten beschouwing. Er is geen aanleiding voor ambtshalve vernietiging. De zaak wordt terugverwezen voor een passende beslissing.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onjuiste betekening van de appeldagvaarding naar het buitenlandse adres van verdachte.

Conclusie

Nr. 13/01718
Zitting: 3 juni 2014
Mr. Knigge
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 2 augustus 2012 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.
3. Namens verdachte heeft mr. Th. J. Kelder, advocaat te ‘s Gravenhage, twee middelen van cassatie voorgesteld.
4.
Het eerste middel
4.1. Het middel valt in een aantal klachten uiteen. De eerste klacht houdt in dat het Hof ten onrechte geoordeeld heeft dat de appeldagvaarding rechtsgeldig is betekend nu deze niet naar het adres van de verdachte in Iran is verzonden.
4.2. Ik begin met de bespreking van de eerste klacht. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de verdachte bij zijn eerste verhoor door de Marechaussee, bij zijn verhoor voor inverzekeringstelling en bij zijn tweede verhoor een adres in Iran heeft opgegeven. Volgens de steller van het middel had de dagvaarding naar dit adres verzonden moeten worden.
4.3. De verdachte is op 15 oktober 2010 op Schiphol aangehouden op verdenking van bezit van een vals reisdocument. Het proces-verbaal van het verhoor van de verdachte van 15 oktober 2010, opgemaakt door een wachtmeester van de Koninklijke Marechaussee District Schiphol, Falsificaten Schipholdesk, dat zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt, houdt onder meer in:
“Op vrijdag 15 oktober 2010, omstreeks 19:00 uur, hoorde ik (…) als verdachte falsi [1] een man die opgaf te zijn:
[verdachte] (zich noemende), [verdachte]
geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats]
adres [a straat]
te [geboorteplaats]”
Ook tijdens het verhoor in verband met de inverzekeringstelling op 15 oktober 2010 en tijdens een nadien afgenomen verhoor op 20 oktober 2010 heeft de verdachte deze gegevens opgegeven. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting bij de Rechtbank van 30 maart 2011 heeft de verdachte opgegeven zonder vaste-woon of verblijfplaats in Nederland te zijn en op dat moment gedetineerd te zijn in Detentiecentrum Rotterdam. Deze gegevens omtrent verblijfplaats en detentie van de verdachte zijn eveneens opgenomen op de akte rechtsmiddel voor het instellen van hoger beroep.
4.4. De dagvaarding van de verdachte in hoger beroep is, blijkens de akte van uitreiking, op 21 mei 2012 uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank omdat, zo staat vermeld op de akte, van de geadresseerde geen woon-of verblijfplaats in Nederland bekend is. In het dossier bevindt zich een ID-staat SKDB van 27 juli 2012 waarop staat vermeld dat noch een GBA-adres, noch een detentieadres, noch een opgegeven woon-of verblijfplaats beschikbaar is.
4.5. Ter terechtzitting van het Hof van 2 augustus 2012 is de verdachte niet verschenen. Het proces-verbaal van die zitting houdt onder meer het volgende in:
“De verdachte, gedagvaard als:
[verdachte]geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande, is niet verschenen.
Als raadsman van de verdachte is aanwezig mr. B.P.J. van Riel, advocaat te Arnhem, die verklaart niet door de verdachte gemachtigd te zijn namens hem het woord te voeren.
De advocaat-generaal legt over een formulier waaruit blijkt dat achtereenvolgens bij het dagvaarden, 3 dagen voor de terechtzitting van heden en heden door middel van geautomatiseerde informatiesystemen (VIP) is gecontroleerd of verdachte in een Nederlandse penitentiaire inrichting verbleef, hetgeen niet het geval bleek te zijn. Op vordering van de advocaat-generaal verleent het gerechtshof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.”
4.6. Art. 588 lid 2 Sv Pro brengt mee dat, indien op grond van het daartoe ingestelde onderzoek als vaststaand kan worden aangenomen dat de verdachte niet is ingeschreven in een GBA en niet in Nederland is gedetineerd, en ook niet een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland, maar wel een adres in het buitenland bekend is, de betekening van de dagvaarding geschiedt door toezending van de dagvaarding door het openbaar ministerie hetzij rechtstreeks aan het laatst bekende adres van de verdachte in het buitenland, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie (HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rov. 3.19).
4.7. De klacht neemt tot uitgangspunt dat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. [2] Gesteld wordt dat, nu van de verdachte een adres in het buitenland bekend was, de dagvaarding naar dat adres gezonden had moeten worden. De vraag is of in dit geval gesproken kan worden van een actueel, niet achterhaald adres. Bij zijn verhoor door de Marechaussee verklaarde de verdachte dat hij uit Iran gevlucht was omdat hij politiek actief was en anders zou worden opgehangen. Ter terechtzitting in eerste aanleg verklaarde verdachte dat hij was uitgeprocedeerd en dat “ze” iedere maand langs komen of hij wil vertrekken “en ik zeg aldoor nee”. Een en ander maakt het twijfelachtig of de verdachte ten tijde van de betekening van de appeldagvaarding op het opgegeven adres in Teheran verbleef. [3] Beslissend is dat echter niet. Om een woon- of verblijfplaats hoeft het bij het in art. 588 lid 2 Sv Pro bedoelde adres niet te gaan. Voldoende is dat de verdachte via dat adres bereikt kan worden. Vergelijk HR 19 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:665, waarin de Hoge Raad oordeelde dat het enkele feit dat de verdachte niet meer op het opgegeven adres in Amerika woonde vanwege zijn werk in Afghanistan, niet maakte dat de dagvaarding niet naar dat adres gestuurd had moeten worden. In het onderhavige geval heeft het Hof niets vastgesteld waaruit afgeleid kan worden dat het adres in Teheran achterhaald is. Het moet er daarom voor gehouden worden dat dit niet het geval is.
4.8. Noch de hierboven genoemde akte uitreiking, noch enig ander gedingstuk houdt in dat de dagvaarding in hoger beroep naar het adres van de verdachte in Iran is verzonden. Daaruit volgt dat de dagvaarding in hoger beroep niet is betekend overeenkomstig art. 588, tweede lid, Sv. Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend, is derhalve onjuist.
4.9. De klacht is terecht voorgesteld. Nu dit dient te leiden tot vernietiging van het bestreden arrest, kunnen de overige klachten van het eerste middel alsmede het tweede middel, dat klaagt dat het Hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep, buiten bespreking blijven.
5. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, en tot zodanige op art. 440 Sv Pro gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG

Voetnoten

1.Aangezien de verbalisant is verbonden aan de afdeling “Falsificaten Schipholdesk”, meen ik te mogen begrijpen dat met een “verdachte falsi” wordt bedoeld een persoon die verdacht van vervalsing van reisdocumenten en identiteitsbewijzen.
2.In de tweede klacht van het middel wordt dat uitgangspunt ter discussie gesteld. Aangevoerd wordt dat het Hof had moeten onderzoeken of de verdachte in een opvangcentrum voor asielzoekers verbleef.
3.De aanzegging in cassatie in aan verdachte in persoon betekend op het adres [b straat] te [plaats].