In deze zaak oordeelt de Hoge Raad over de ontnemingsvordering tegen betrokkene wegens het wederrechtelijk verkregen voordeel uit het voorhanden hebben en verhandelen van hennepstekken. Het Hof Arnhem-Leeuwarden had het voordeel vastgesteld op € 500,00 en de betalingsverplichting bevestigd.
De Hoge Raad stelt dat krachtens art. 511f Sv de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitsluitend mag worden gebaseerd op wettige bewijsmiddelen, waarvan de inhoud en redengevende feiten en omstandigheden duidelijk moeten worden vermeld. De bestreden uitspraak voldeed hier niet aan omdat zij slechts enkele stukken noemde zonder de inhoud daarvan te vermelden, waardoor onduidelijk bleef hoe de omvang van het voordeel was vastgesteld.
Daarnaast was het oordeel van het Hof dat het voordeel voortkwam uit het verhandelen van hennepstekken niet zonder meer begrijpelijk, omdat de veroordeling betrekking had op het aanwezig hebben van hennepplanten zonder dat uit de ontnemingsuitspraak bleek dat daaruit voordeel was gehaald.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en wijst de zaak terug naar het Hof voor een nieuwe beoordeling op basis van de bestaande stukken, waarbij de motivering en bewijsmiddelen duidelijk moeten worden weergegeven.