Uitspraak
26 maart 2013, nummer 24/001745-11, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Slotsom
4.Beslissing
9 september 2014.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van betrokkene tegen een arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De politierechter had het voordeel geschat op € 745,00 op basis van stukken uit het voorbereidend onderzoek en een financieel rapport. Het hof bevestigde dit oordeel, maar matigde het bedrag naar € 500 vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
De Hoge Raad herhaalt de relevante jurisprudentie dat krachtens art. 511f Sv de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitsluitend mag worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen. De motivering van het hof, die slechts verwees naar aannemelijke gegevens waarop het financiële rapport is gebaseerd, voldoet niet aan dit vereiste.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe berechting op het bestaande hoger beroep. De overige middelen behoeven geen bespreking. Dit arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en uitgesproken op 9 september 2014.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting van de ontnemingsvordering.