In deze zaak oordeelt de Hoge Raad over de toepassing van artikel 36e, zevende lid, Wetboek van Strafrecht, dat hoofdelijke aansprakelijkheid mogelijk maakt voor het gehele wederrechtelijk verkregen voordeel bij strafbare feiten gepleegd door meerdere personen. Het hof had aan betrokkene de verplichting opgelegd tot hoofdelijke betaling van € 9.298,-, het volledige bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit een diefstal met braak in vereniging.
De Hoge Raad stelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het voordeel niet verdeeld kon worden over de mededaders, en benadrukt dat hoofdelijke aansprakelijkheid slechts toegepast mag worden wanneer het voordeel als gemeenschappelijk voordeel kan worden aangemerkt en individuele toerekening niet mogelijk is. De regeling is bedoeld als bewijsvereenvoudiging en mag niet leiden tot een disproportionele aanslag op een dader.
De Hoge Raad bevestigt dat het uitgangspunt blijft dat het voordeel dat een betrokkene daadwerkelijk heeft genoten moet worden vastgesteld, en dat bij gebrek aan concrete aanwijzingen eerst een pondspondsgewijze verdeling moet worden toegepast voordat hoofdelijke aansprakelijkheid wordt opgelegd. In deze zaak acht de Hoge Raad de hoofdelijke aansprakelijkheid gerechtvaardigd vanwege het ontbreken van openheid van zaken door betrokkene en de omstandigheden van het geval.
De conclusie van de Procureur-Generaal is dat de middelen van cassatie falen en dat de bestreden uitspraak niet ambtshalve vernietigd hoeft te worden. Hiermee wordt de hoofdelijke aansprakelijkheid bevestigd, maar met duidelijke grenzen en voorwaarden.