ECLI:NL:PHR:2014:1542

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juni 2014
Publicatiedatum
27 augustus 2014
Zaaknummer
12/05887
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 SvArt. 6 EVRMArt. 2 Opiumwet
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest wegens onrechtmatig gebruik zwijgrecht als bewijs

In deze zaak werd verdachte door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens overtreding van de Opiumwet en witwassen, met oplegging van een taakstraf en verbeurdverklaring van een auto. Tijdens het proces gebruikte het hof een proces-verbaal waarin verdachte weigerde te verklaren over de herkomst van de in beslag genomen Audi als bewijsmiddel.

De Hoge Raad herhaalt de vaste rechtspraak dat het zwijgrecht van een verdachte niet tegen hem gebruikt mag worden als bewijs, conform artikel 29, eerste lid, Sv. Het hof heeft deze regel geschonden door de weigering van verdachte als bewijs te benutten, waardoor de bewezenverklaring onvoldoende is gemotiveerd.

De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest voor zover het betrekking heeft op deze bewezenverklaring en de strafoplegging, en verwijst de zaak terug naar het hof Amsterdam voor hernieuwde behandeling. Andere middelen van cassatie behoeven geen bespreking. De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Uitkomst: Het arrest van het hof Amsterdam wordt vernietigd wegens onrechtmatig gebruik van het zwijgrecht als bewijs en de zaak wordt terugverwezen.

Conclusie

Nr. 12/05887
Zitting: 10 juni 2014 (bij vervroeging)
Mr. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
Verdachte is bij arrest van 7 december 2012 door het gerechtshof Amsterdam wegens 1. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod” en 2. “witwassen” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren. Tevens heeft het hof een onder verdachte in beslag genomen auto verbeurd verklaard.
Mr. G. Meijers, advocaat te Amsterdam, heeft namens verdachte twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het
tweede middel, in samenhang met de toelichting daarop gelezen, klaagt dat het hof in strijd met de onschuldpresumptie van art. 6, tweede lid, EVRM een proces-verbaal van verhoor van verdachte, inhoudende dat verdachte geen antwoord wilde geven op de vraag hoe hij aan de onder hem in beslag genomen Audi was gekomen, voor het bewijs heeft gebruikt.
De aanvulling op het verkort arrest bevat als bewijsmiddel 8 een proces-verbaal van verhoor van verdachte met de volgende door het hof redengevend geachte inhoud:
“Vraag: we hebben je auto – een Audi kenteken [AA-00-AA] – in beslag genomen. Hoe kom je aan dit waardevolle goed?
Antwoord: Ik wil daar geen antwoord op geven.”
5. Volgens vaste rechtspraak kan de omstandigheid dat een verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden op zichzelf, mede gelet op art. 29, eerste lid, Sv, niet tot het bewijs bijdragen. [1]
6. Het hof heeft in strijd met deze regel de weigering van verdachte om te antwoorden op de vraag hoe hij aan de onder hem in beslag genomen Audi was gekomen als bewijsmiddel gebezigd. Dat betekent dat de bewezenverklaring van feit 2 onvoldoende met redenen is omkleed.
7. Omdat het tweede middel slaagt en reeds om die reden vernietiging van het bestreden arrest moet volgen, behoeft het eerste middel, dat klaagt dat het hof een eveneens op feit 2 betrekking hebbend getuigenverzoek van de verdediging ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen, geen bespreking meer. Mocht de Hoge Raad hierover anders oordelen, dan ben ik uiteraard gaarne bereid aanvullend te concluderen.
8. Ambtshalve heb ik geen andere grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de beslissingen over feit 2 en de strafoplegging betreft en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam om deze in zoverre opnieuw te berechten.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie HR 19 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC9312, NJ 1999, 139, rov. 5.2; HR 15 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9639, NJ 2004, 464, rov. 4.2; HR 5 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7372, NJ 2012, 369, rov. 3.4.