ECLI:NL:PHR:2014:1672

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 juli 2014
Publicatiedatum
4 september 2014
Zaaknummer
12/03336
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 449 SvArt. 450 SvArt. 451 SvArt. 452 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken persoonsgegevens verdachte

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie dagen voor openlijk in vereniging geweld plegen en medeplegen van beschadiging van goederen. Verdachte heeft cassatie ingesteld onder de aanduiding “NN1290320071650” zonder zijn persoonsgegevens bekend te maken.

De Hoge Raad overweegt dat uit de artikelen 449 tot en met 452 van het Wetboek van Strafvordering volgt dat een verdachte die in een rechterlijke beslissing niet bij naam is aangeduid, geen rechtsmiddel kan aanwenden zonder bekendmaking van zijn persoonsgegevens. De verdediging heeft betoogd dat deze vaste rechtspraak moet worden verlaten op grond van nationale en internationale rechtsargumenten.

De Hoge Raad ziet echter geen reden om af te wijken van zijn eerdere standpunt, dat sinds 2001 ongewijzigd is gebleven. De conclusie van de Procureur-Generaal is dan ook dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De zaak hangt samen met andere zaken waarin dezelfde conclusie is getrokken.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van persoonsgegevens van verdachte.

Conclusie

Nr. 12/03336
Mr. Machielse
Zitting 1 juli 2014
Conclusie inzake:
NN1290320071650 [1]
1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 26 juni 2012 voor feit 2 primair: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen en medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie dagen. Voorts heeft het hof beslist op vorderingen van benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd zoals in het arrest is vermeld.
2. Mr. J.W. Soeteman, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld. Mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.
3. De steller van het middel gaat in op de vraag of het cassatieberoep wel ontvankelijk is gelet op de vaste rechtspraak van de Hoge Raad over het aanwenden van een rechtsmiddel door een verdachte te wiens laste een rechterlijke beslissing is gewezen waarin hij op andere wijze dan bij name is aangeduid. De schriftuur put zich uit in het aanreiken van argumenten, ontleend aan het nationale en internationale recht, om de Hoge Raad ertoe te bewegen zijn vaste rechtspraak, die een aanvang neemt in HR 27 februari 2001, NJ 2001, 499 m.nt. Schalken, te verlaten.
4. De afgelopen jaren heeft de Hoge Raad er blijk van gegeven het in 2001 ingenomen standpunt te willen handhaven. [2] In de uitvoerige schriftuur in de onderhavige zaak kan ik geen elementen onderscheiden die de Hoge Raad niet al eerder bij zijn beschouwingen had kunnen betrekken. Ik zie geen reden voor een wijziging van de huidige koers.
5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

Voetnoten

1.Deze zaak hangt samen met nrs. 12/03337 ([medeverdachte 1]), 12/03339 ([medeverdachte 2]) en 12/03341 ([medeverdachte 3]) in welke zaken ik ook vandaag concludeer.
2.Zie bijvoorbeeld HR 4 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4153; HR 18 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3293; HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:886; HR 4 maart 2014, nr. 13/00709 (niet gepubliceerd).