Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
Malta International Business Activities Act(MIBA Act), die onder internationale druk in 1994 werd bevroren. In datzelfde jaar voerde Malta een
Flat Rate Foreign Tax Credit(FRFTC) voor niet-Maltees inkomen in en een belastingteruggaafregeling voor niet-Maltese aandeelhouders aan wie dat niet-Maltese inkomen wordt uitgekeerd. De belanghebbenden en hun aandeelhouder vallen onder die regelingen. De vraag is of zij wezenlijk samenhangen, en zo ja, of zij dan in wezen gelijksoortig zijn aan de MIBA Act.
secondary withholding taxes, vervat in art. 10(6) Verdrag. Nu zij echter wél onder een aangewezen regime vallen, schakelt art. 30 de Pro verdragsvoordelen voor hen uit, dus ook het voordeel van beroep op art. 10(6) Verdrag.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Algemeen
Office of Inland Revenueheeft op 17 september 2001 een verklaring afgegeven inhoudende dat de belanghebbenden bij aandeelhoudersbesluit van 20 september 1999 hun zetels en feitelijke leidingen naar Malta hebben verplaatst en dat zij vanaf die datum inwoner van Malta zijn, alsmede dat zij in Malta aan een inkomstenbelasting zijn onderworpen naar een tarief van 35%.
Flat Rate Foreign Tax Credit(FRFTC) en de
International Tax Management Act(ITMA; bevattende een belastingteruggaafregeling) tezamen moeten worden gezien als een regeling die in wezen gelijksoortig is aan de voorafgaande
Malta International Business Activities Act(MIBA Act) met het oog waarop art. 30(1) Verdrag is opgenomen.
3.Het geding in cassatie
non-tradingregime onder de MIBA Act en niet met het
tradingregime. Nederland heeft voorts art. 30 Verdrag Pro met name afgedwongen vanwege de geheimhoudingsbepalingen in de MIBA Act, die niet meer voorkomen in de FRFTC en de belastingteruggaafregeling. Nederland heeft bovendien ingestemd met de FRFTC en de belastingteruggaafregeling nu er bij de verdragswijziging geen opmerkingen over die regelingen zijn gemaakt, terwijl de Nederlandse autoriteiten wél bekend was dat zij ingevoerd zouden worden. De Maltese autoriteiten achten art. 30 Verdrag Pro niet van toepassing op de FRFTC en de belastingteruggaafregeling en hun opvatting is in beginsel bindend. De Inspecteur is niet bevoegd om artikel 30 Verdrag Pro van toepassing te verklaren op enige regeling; dat kan alleen in onderling overleg tussen de bevoegde autoriteiten geschieden.
4.Relevante regelgeving
Art. 10(6) en art. 30 Verdrag Pro
offshore companiesfiscaal privilegiërende
Malta International Business Activities Actdie Malta in 1988 had ingevoerd, zulks bovendien, hoewel daartoe verplicht ingevolge het Verdrag, [6] zonder Nederland daarvan in kennis te stellen.
Income Tax Act(ITA) inkomstenbelasting geheven. Het normale tarief daarvan was in de litigieuze jaren 35%. Op grond van de MIBA Act konden naar Maltees recht opgerichte vennootschappen en in Malta gevestigde buitenlandse vennootschappen echter worden geregistreerd als
offshore companiesals hun activiteiten – kort gezegd –
offshorewaren. Eén van de voorwaarden daarvoor was dat zij buitenlandse (niet-Maltese) aandeelhouders hadden. Was sprake van een Maltese aandeelhouder, dan kon geen beroep worden gedaan op de MIBA Act.
tradingen
non-trading offshore companies.
Non-trading offshore companieswaren vrijgesteld van (vennootschappelijke) inkomstenbelasting.
Trading offshore companieswaren wél onderworpen, naar een tarief van 5%. Bij uitkering van dividenden, interest en royalty’s aan hun buitenlandse aandeelhouders waren
offshore companiesgeen Maltese bronbelasting verschuldigd.
offshore companiesmoesten volgen tenzij zij de onjuistheid ervan konden aantonen. Ook beperkte de MIBA Act de Maltese belastingautoriteiten ernstig in de mogelijkheid om ter zake van
offshore companiesinlichtingen uit te wisselen met andere staten waarin de belastingverdragen met die andere staten, waaronder Nederland, wél voorzagen.
Flat Rate Foreign Tax Crediten de
Income Tax Management Actingevoerd. Voor de toepassing van de FRFTC en de ITMA moest vanaf het belastingjaar 1996 de voor uitdeling beschikbare winst van een op Malta gevestigde vennootschap over verschillende accounts worden verdeeld, waaronder de foreign income account. Op die account werden uit buitenlandse bronnen ontvangen inkomsten geboekt, waaronder rente, royalty’s en dividenden. Om rekening te houden met de op die buitenlandse inkomsten drukkende buitenlandse belasting werd aan de ontvangende Maltese vennootschap een FRFTC toegekend, die zij kon afzetten tegen haar in Malta verschuldigde inkomstenbelasting over die buitenlandse inkomsten. Dit leidde tot een effectief Maltees (vennootschappelijk) inkomstenbelastingtarief ad 18,75%.
5.Gelijke of in wezen gelijksoortig? (middel (i))
foreign income accountgeboekte winsten van een Maltese vennootschap en zij beide uitsluitend gelden voor
offshoregevallen (niet-Maltese winst; niet-Maltese uitdelingsgerechtigden ter zake van die niet-Maltese winst). Beide regelingen zijn voorts simultaan ingevoerd, en bovendien tegelijk met de uitkleding/bevriezing van de MIBA Act, die slechts een gevolg was van de diplomatieke druk van andere staten die, zoals Nederland, het MIBA-regime beschouwden als (facilitering door Malta van) misbruik van hun belastingverdragen met Malta. Ik acht met het Hof niet relevant dat onder de MIBA Act de fiscale begunstiging van doorstromende niet-Maltese inkomsten juridisch-technisch vooral de Maltese doorstroomvennootschap zelf betrof en onder het opvolgende regime juridisch verdeeld werd over die vennootschap en haar (uitsluitend niet-Maltese) aandeelhouders. Ik merk overigens op dat men ook het MIBA-regime kan zien als verdeling van de fiscale begunstiging over vennootschap én aandeelhouder, nu een vrijstelling van bronbelasting voor uitdelingen van vrijgestelde/laagbelaste
offshorevennootschappen betekent dat de
aandeelhoudervrijgesteld wordt van Maltese inkomstenbelasting.
foreign income accountgeboekte niet-Maltese winsten
nietuitgedeeld zouden worden aan de buitenlandse aandeelhouder (dan zou immers drie keer zo veel belasting verschuldigd zijn), is de juridische verdeling van de begunstiging over deze twee innig gelieerde subjecten
just mechanics: niet meer dan wetgevingstechniek. De belanghebbenden hebben niet gesteld dat het regelmatig kon voorkomen dat in gevallen zoals de hunne (niet-Maltese winst op een
foreign income accountvan een Maltese vennootschap met uitsluitend niet-Maltese aandeelhouders) één van de samenhangende onderdelen van dit regime niet beschikbaar was terwijl de andere onderdelen wél beschikbaar zouden zijn.
offshore company, dan werd zij, indien
non-trading, vrijgesteld van de Maltese vennootschappelijke inkomstenbelasting en, indien
trading, daarvoor onderworpen aan een tarief van slechts 5%. Ter zake van aan de buitenlandse aandeelhouder uitgekeerde dividenden, interest en royalty’s was voorts geen Maltese bronbelasting verschuldigd. In het opvolgende regime werd niet meer de
companygeregistreerd als
offshore, maar haar (niet-Maltese)
winst, door die te registreren op een
foreign income account. Die werd onderworpen aan een effectief belastingtarief (18,75%) dat substantieel lager was dan de
benchmark(35%). Bij uitdeling van die niet-Maltese winst werden (net als onder de MIBA Act
uitsluitendals feitelijk aan niet-Maltese aandeelhouders werd uitgedeeld) aan de buitenlandse aandeelhouder 12,25 punten van die 18,75% teruggegeven, resulterende in een effectieve belastingdruk ad 6,25%. Ik merk opnieuw op dat het ondenkbaar is dat de instromende niet-Maltese winst niet weer zou uitstromen naar de niet-Maltese aandeelhouders, want niemand gaat zonder dringende noodzaak drie keer zoveel belasting betalen.
subjecten(Maltese doorstroomvennootschap met niet-Maltese aandeelhouders) als het betrokken belasting
object((door)uitgedeelde niet-Maltese winst) waarop de opvolgende regimes zich richtten, zijn dus dezelfde, althans wezenlijk gelijksoortig gebleven. Vanuit de achtergrond van art. 30 Verdrag Pro bezien (Nederland achtte een
overalleffectieve belastingdruk in Malta van 5% op uit Nederland afkomstige en naar buiten Malta doorstromende winsten te laag om belastingverdragsvoordelen te verlenen) is ook de laatste belastingdrukconstituerende factor (het tarief) in wezen gelijksoortig (6,25%). Ik merk daarbij op dat volgens de Europese Commissie de effectieve druk nog lager kan zijn, zelfs “zero”: zie het in 4.15 hierboven geciteerde Commissie-document C(2006)810 final:
Director International Taxationvan het
Maltese Office of Inland Revenue) in casu niet van toepassing zou zijn, is niet van belang voor de vraag hoe de Nederlandse rechter het Verdrag moet uitleggen. De door de belanghebbenden aangehaalde arresten [17] over de onderworpenheidsvraag (de vestigingsvraag) naar nationaal recht zijn in casu niet van belang, nu expliciet (zie onderdeel 1 pleitnota in cassatie) geen geschil bestaat over de nationaalrechtelijke onderworpenheid of de vestigingsplaats van de belanghebbenden.
tradingof het
non-tradingregime vielen, is niet relevant: de ratio voor de invoering van art. 30 Verdrag Pro was dat Nederland een effectieve belastingdruk van 5% (
trading) al onaanvaardbaar achtte, zodat een belastingdruk van 0% (
non-trading)
eo ipsoonaanvaardbaar was.
nietwordt geblokkeerd.
6.Het verbod op secondary withholding taxes (middel (ii))
secondary withholding taxes. Dat zijn belastingen geheven door de vaste-inrichtingsstaat over de uitdeling - door het buitenlandse hoofdhuis van de vennootschap - van de winst van die binnenlandse vaste-inrichting nadat die overgemaakt is naar het buitenlandse hoofdhuis. [18] Art. 10(5) OESO-Modelverdrag 2010 (overeenkomend met art. 10(6) Verdrag) verbiedt een dergelijke heffing omdat zij tot dubbele heffing leidt: [19] ook het vestigingsland van het hoofdhuis zal immers heffen bij die uitdeling. Sommige (andere) staten bereikten hetzelfde resultaat door meteen bij de winstovermaking van de v.i. naar het hoofdhuis een quasi-dividendbelasting (
branch profits taxof
branch level tax) te heffen. [20] Ook daartegen richt zich (het laatste deel van) art. 10(5) van het OESO-Modelverdrag en dus ook art. 10(6) Verdrag. In HR BNB 1992/379 [21] heeft u geoordeeld dat als het de v.i.-staat onder deze verdragsbepaling verboden is dergelijke belastingen te heffen op de overmaking of uitdeling van de binnen zijn jurisdictie behaalde winsten, het hem te meer (
a fortiori) verboden is om een dergelijke “bron”-belasting te heffen als er helemaal geen bron (geen v.i.) in die staat is, dus als de uitdelende vennootschap alleen nog maar door haar oprichtingsrecht verbonden is aan de oorspronkelijke (Nederlandse) jurisdictie doordat de feitelijke leiding en ook alle activiteit verplaatst is naar een andere staat.
7.Het drielandenpuntarrest en het discriminatieverbod (middel (iii))
full tax liabilityonderworpen is. Dat belastingverdrag laat in het midden op grond van welk criterium de verdragsluitende staten dividendbelasting wensen te doen inhouden door uitdelende vennootschappen: inwonerschap, oprichtingsrecht, statutaire zetel, onderworpenheid, etc. Zij mogen dat kennelijk zelf weten. Bovendien kunnen de belanghebbenden (zie het falen van middel (i)) het Verdrag (met Malta) niet inroepen, zodat zij nog steeds volledig als inwoner onderworpen zijn aan de Nederlands vennootschapsbelasting.
Van Hilten-van der Heijden, [27] waarin een woonplaatsfictie uitsluitend voor geëmigreerde
Nederlanders(art. 3(1) Successiewet 1956) uitdrukkelijk niet discriminatoir werd geacht (r.o. 47).