Conclusie
verklaring van aangever [betrokkene 2], zakelijk weergegeven:
bevindingen van verbalisant [verbalisant] voornoemd, zakelijk weergegeven:
verklaring van verdachte:
eerste middelbehelst de klacht dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op het voorwaardelijke verzoek van de verdediging tot het horen van [betrokkene 1] als getuige, terwijl de aan het verzoek verbonden voorwaarde – te weten het bezigen voor het bewijs van de verklaring van [betrokkene 2] (aangifte) – is vervuld
Noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep noch het bestreden arrest houdt echter een beslissing van het Hof in op het door de raadsman gedane verzoek. Daarbij teken ik aan dat het Hof in zijn overweging ten overvloede het voorwaardelijke verzoek van de verdediging kennelijk abusievelijk heeft verstaan als betrekking hebbend op [betrokkene 2]. Ik heb mij nog afgevraagd of hier sprake zou kunnen zijn van een kennelijke verschrijving in die zin dat met [betrokkene 2] zijn broer [betrokkene 1] is bedoeld. Ik meen echter dat dit niet het geval is, nu: (i) de verklaring voor het niet noodzakelijk achten om [betrokkene 2] (opnieuw) te (laten) horen door het Hof wordt gelegd in de woorden ‘reeds daarom’, hetgeen logischerwijs betrekking heeft op het onmiddellijk daaraan voorafgaande, te weten de opmerking van het Hof dat de verklaringen van de aangever [betrokkene 2] niet voor het bewijs zullen worden gebezigd (wat overigens ook niet juist is, maar daarover later meer), en dat (ii) uit de stukken van het geding, voor zover in cassatie voorhanden, niet blijkt dat [betrokkene 1] eerder is gehoord, zodat in dat licht het door het Hof weliswaar tussen haakjes geplaatste, maar niettemin opgenomen “opnieuw” laten horen zoals in voorwaardelijke vorm door de raadsman is verzocht niet begrijpelijk is, nu deze overweging lijkt te duiden op de persoon van [betrokkene 2] die immers wel eerder is gehoord (als gemachtigde aangever).
tweede middelklaagt dat het Hof in strijd met zijn overweging dat de door [betrokkene 2] bij de politie en rechter-commissaris afgelegde verklaringen niet voor het bewijs zullen worden gebezigd, de door [betrokkene 2] bij de politie afgelegde verklaring (aangifte) voor het bewijs heeft gebezigd.
derde middelkomt op tegen het oordeel van het Hof dat sprake is van een woning “in gebruik” als bedoeld in art. 138, eerste lid, Sr.