ECLI:NL:HR:2012:BW0647

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 april 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/04897
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 328 SvArt. 330 SvArt. 331 SvArt. 415 Sv
Verwijzingen
6 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens verzuim beslissing op voorwaardelijk verzoek tot horen getuigen

In deze strafzaak werd verdachte verweten op 15 maart 2007 te Arnhem een geldbedrag van 49.010 euro te hebben gehad, wetende dat dit afkomstig was uit enig misdrijf. Tijdens het hoger beroep heeft de verdediging een voorwaardelijk verzoek ingediend op grond van art. 328 jo Pro. art. 331 en Pro art. 415 Sv Pro om opsporingsambtenaren als getuigen te horen, omdat de verslaglegging van de doorzoeking onvoldoende was.

De voorwaarde verbonden aan dit verzoek was dat het hof de verdachte niet zou vrijspreken. Deze voorwaarde werd vervuld, waardoor het hof verplicht was een uitdrukkelijke beslissing op het verzoek te nemen. Noch het proces-verbaal van de terechtzitting, noch het arrest van het hof bevatte een beslissing op dit verzoek.

De Hoge Raad oordeelt dat dit verzuim leidt tot nietigheid van het arrest op grond van art. 330 jo Pro. art. 415 Sv Pro. Daarom vernietigt de Hoge Raad het bestreden arrest en wijst de zaak terug naar het hof te Arnhem voor een hernieuwde berechting en beslissing op het bestaande hoger beroep, met inachtneming van het verzoek tot het horen van getuigen.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens het niet beslissen op een voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuigen en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

3 april 2012
Strafkamer
nr. S 10/04897
KM/CB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 19 oktober 2010, nummer 21/004995-09, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.P.W. Nijboer, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het tweede middel
2.1. Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd een beslissing te geven op een (voorwaardelijk) verzoek van de verdediging tot het horen van opsporingsambtenaren als getuigen.
2.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij op 15 maart 2007 te Arnhem, een geldbedrag van 49.010 euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dat geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf."
2.3. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. De pleitnota houdt onder meer het volgende in:
"Primair stelt de verdediging zich op het standpunt dat cliënt moet worden vrijgesproken. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat niet zonder meer ervan mag worden uitgegaan dat op basis van de bepalingen van de Douanewet de doorzoeking heeft plaatsgevonden. De verdediging stelt zich op het standpunt dat, nu iedere verslaglegging door de betrokken opsporingsambtenaren ontbreekt althans onvoldoende is, de betrokken ambtenaren [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] als getuige dienen te worden gehoord opdat alsnog kan worden vastgesteld op basis van welke wettelijk veronderstelde bevoegdheid de doorzoeking in de auto is verricht."
2.4. Uit het vorenstaande volgt dat subsidiair een verzoek is gedaan als bedoeld in art. 328 in Pro verbinding met art. 331 en Pro art. 415 Sv Pro - welk verzoek moet worden verstaan te zijn gedaan onder de voorwaarde dat het Hof de verdachte niet zou vrijspreken van het tenlastegelegde - en dat de aan dit verzoek verbonden voorwaarde is vervuld, zodat een uitdrukkelijke beslissing op dit verzoek was vereist.
Noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep noch het bestreden arrest houdt een beslissing van het Hof in op het door de raadsman gedane verzoek. Dat verzuim heeft ingevolge art. 330 in Pro verbinding met art. 415 Sv Pro nietigheid tot gevolg.
2.5. Het middel slaagt.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 3 april 2012.