Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
bis, lid 6, van de Wet op de Loonbelasting 1964 (hierna: de Wet) met als gevolg dat naheffing in de jaren 2006 en 2007 achterwege kan blijven en ook overigens de grondslag voor de boeten en heffingsrenten vervalt.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
bis, lid 10, van de Wet op de loonbelasting 1964, tekst 2006 en 2007 (hierna: de Wet). De Verklaring is op 16 januari 2006 aan belanghebbende verstrekt, waarbij is toegestaan dat geen bijtelling bij het loon behoeft te worden gerekend, onder de voorwaarde dat niet meer dan 500 kilometer privé zal worden gereden op jaarbasis hetgeen overtuigend moet kunnen worden bewezen.
3.Het geding in cassatie
bis, lid 6, Wet LB 1964 (tekst 2006 en 2007).
4.Documentatie omtrent de klachten
Documentatie omtrent artikel 13bis, lid 6 van de Wet
bis, eerste lid en zesde lid, van de Wet is in belangrijke mate ontleend aan artikel 3.145 Wet Inkomstenbelasting 2001 [8] en luidde in 2006 en 2007 als volgt: [9]
bisvan de Wet opgenomen: [10]
bis, aantekening 9.9 geschreven: [15]
verschuldigdeeigen bijdrage (art. 13bis, lid 9, Wet LB 1964) [17] . Dat betekent dat al bij het vaststellen van de hoogte van het voordeel rekening gehouden dient te worden met de eigen bijdrage die de werknemer verschuldigd is. Is de hoogte van die eigen bijdrage op dat moment nog niet bekend, dan zullen achteraf correcties op de aangifte loonheffingen plaats moeten vinden. Is de eigen bijdrage voor het privégebruik van de auto in een loontijdvak hoger dan de bijtelling voor het desbetreffende loontijdvak, dan kan bij het vaststellen van het loon in dat loontijdvak een negatief bedrag ter grootte van het verschil in aanmerking worden genomen (art. 3.13, lid 2, URLB 2011). Zodra blijkt dat het saldo op kalenderjaarbasis negatief is, dient dit hersteld te worden met een correctiebericht.
5.Behandeling van de klachten
bisWet LB 1964. Tevens wordt de lezing van die volzin bemoeilijkt door een taalkundige verschrijving. Mede vanwege de samenhang met de voorlaatste volzin is onduidelijk welk begrip ‘vergoeding’ het Hof in de laatste volzin op het oog heeft.
bis, lid 6, van de Wet, kan belanghebbende derhalve - met een voorbehoud evenwel ten aanzien van hetgeen is opgemerkt in de voorlaatste volzin van onderdeel 5.9 - niet worden belast wegens privégebruik van de auto. De schuld komt immers op op hetzelfde moment als dat waarop wordt vastgesteld dat een belastbaar voordeel is genoten. Dat zou anders kunnen zijn wanneer de belanghebbende de vergoeding nimmer had betaald en de inspecteur aannemelijk had gemaakt dat de overeenkomst een schijnhandeling was, maar daarvan is in dit geval geen sprake.