Voetnoten
1.Het getal [001] achter de productnaam staat voor het eiwitgehalte van het product.
2.De inspecteur van de Belastingdienst/[P].
3.Vgl. artikel 24c, lid 5, onderdeel a, sub 1, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968.
4.Zie punt 6.1, eerste volzin, van de nader te melden hofuitspraak.
5.Zie punt 6.1, derde volzin, van de nader te melden hofuitspraak.
6.Vgl. punt 5.4.1 van de uitspraak van de Rechtbank.
7.Hier moet ‘eiwitten’ bedoeld zijn.
8.Dit moet gelezen worden als ‘Fancon’.
9.PB L 130, blz. 19-20.
10.Artikel 3, lid 1, a, van het Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen van 14 juni 1983, Trb. 1985, 108. Zie ook (punt 20) van het arrest van het HvJ van 14 december 1995, Commissie/Frankrijk, nr. 267/94 en het in punt 5.4 van deze conclusie geciteerde punt 26 uit het arrest Krings.
11.Dat leid ik af uit de weergave, in het cassatieberoepschrift, van de tekst van de bijlage bij de indelingsverordening.
12.Zie in dit verband HvJ van 13 juli 2006, Anagram, C-14/05. In punt 32 van dat arrest overweegt het HvJ – evenals overigens in het eerder vermelde arrest Krings (punt 35) dat de toepassing naar analogie van een indelingsverordening op producten die vergelijkbaar zijn met die waarop deze verordening betrekking heeft, bevorderend voor een coherente uitlegging van de GN en voor de gelijke behandeling van de deelnemers aan het economisch verkeer, en dat derhalve een indelingsverordening ook toepassing kan vinden op vergelijkbare producten als die welke in de desbetreffende indelingsverordening zijn ingedeeld.
13.Zie verordening (EG) nr. 948/2009 van de Commissie van 30 september 2009 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief.
14.MvH: In cassatie is niet in geschil dat de omstandigheid dat [het product] een ingrediënt om mengvoeders te bereiden, op zichzelf niet in de weg staat aan indeling in post 2309. Zie in dit verband ook HvJ 20 juni 2013, Agroferm, C‑568/11.
15.In de voetnoot bij de tariefweergave wordt verwezen naar bijlage 7 bij Verordening (EG) 948/2009, waarin te openen WTO-tariefcontingenten zijn opgenomen. Volgnummer 123 betreft goederen van code 2309 90 31.
16.Voor het in geding zijnde jaar opgenomen in bijlage I, Titel 1, onder A (‘Algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur’), van Verordening (EG) nr. 948/2009 van de Commissie, de ‘update’ voor het jaar 2010 van Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad. De betreffende indelingsregels luiden: “1. De tekst van de opschriften van de afdelingen, van de hoofdstukken en van de onderdelen van hoofdstukken wordt geacht slechts als aanwijzing te gelden; voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken en (…) de navolgende regels. (…) 6. Voor de indeling van goederen onder de onderverdelingen van een post zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van die onderverdelingen en de aanvullende aantekeningen, alsmede „mutatis mutandis” de vorenstaande regels, met dien verstande dat uitsluitend onderverdelingen van gelijke rangorde met elkaar kunnen worden vergeleken. Voor de toepassing van deze regel en voor zover niet anders is bepaald, zijn de aantekeningen op de afdelingen en op de hoofdstukken eveneens van toepassing.”
17.Of onderverdeling daarvan.
18.World customs organization, Harmonized commodity description and coding system, Explanatory notes, vierde druk, 2007, Volume 1. Deze versie geldt (ook) voor het jaar 2010 (pas in 2012 is een nieuwe versie gepubliceerd).
19.Enigszins verwante problematiek speelde in de zaak die heeft geleid tot het arrest van het HvJ van 18 september 1990, Vismans, C-265/89, over de vraag of snijdsels van suikerbieten met een saccharosegehalte van 12%, die na de suikerwinning als residu zijn overgebleven (zogenaamde suikerbietenpulp) moesten worden ingedeeld als suikerbieten dan wel als afvallen van de suikerindustrie. Omdat nagenoeg uitgesloten was, dat de suikerindustrie snijdsels van ontsuikerde bieten met een saccharosegehalte van 10 tot 12 gewichtspercenten, nog voor suikerwinning zou gebruiken, kwam het HvJ tot het oordeel dat de snijdsels een product vormen dat uiteindelijk overblijft na de suikerwinning uit suikerbieten, en als zodanig moet worden aangemerkt als bietenpulp. De problematiek in deze ‘bietenzaak’ ligt te ver verwijderd van de onderhavige problematiek om daaruit voor deze zaak conclusies te kunnen trekken.
20.Het ging in de Fancon zaak om een civiel geding tussen twee Italiaanse ondernemingen waarvan de ene van de andere meel van Braziliaanse sojapulp had gekocht te leveren tussen eind juli en september 1973. Tussen de sluiting en het begin van de uitvoering van die overeenkomst kondigde de regering een prijsbevriezingsmaatregel af. De prijsbevriezingsmaatregel voorzag in een uitzondering voor goederen die reeds onder een andere regeling vielen. Deze andere regeling was verordening 136/66 van 22 september 1966 inhoudende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening in de markt voor oliën en vetten. Voornoemde verordening knoopte voor de definitie van haar werkingssfeer aan bij onder meer post 2304 van de GN. Derhalve moest de vraag beantwoord worden of het sojapulp onder post 2304 viel. Omdat het HvJ die vraag bevestigend beantwoordde, was de bevriezingsmaatregel niet toepasbaar en moest de hoger marktprijs betaald worden.
21.Het arrest Fancon roept associaties op met HvJ 23 januari 2014, X BV, C-380/12, waar vergelijkbare problematiek onderwerp van geschil was. In voornoemde zaak gaat het om een kleisoort die van nature een absorberend vermogen heeft (actief is) hetgeen de klei geschikt maakt voor het zuiveren van eetbare oliën. In de natuur wordt de klei door blootstelling aan calcium ionen minder actief. Een behandeling met zwavelzuur maakte het absorberend vermogen van de klei weer groter. De vraag was of de klei na die zwavelzuurbehandeling nog onder de post voor natuurlijk actieve klei (2508) ingedeeld kon worden of dat de behandeling maakte dat er sprake was van geactiveerde klei in de zin van post 3802. Het HvJ oordeelde op grond van de toelichting bij post 3802 dat van indeling onder post 3802 uitgezonderd zijn producten die zijn behandeld om hun oppervlaktestructuur te wijzigen. Omdat de oppervlaktestructuur van de klei gewijzigd was, oordeelde de Hoge Raad bij arrest van 13 juni 2014,nr 11/00519; ECLI:NL:HR:2014:1382, BNB 2014/164, dat de klei onder tariefpost 3802 van de GN moest worden ingedeeld. 22.Waarvan de tekst destijds gelijk was aan de tekst ten tijde van het arrest Fancon (zie punt 6.12), dat wil zeggen niet helemaal gelijk aan de in deze zaak in geding zijnde tekst van post 2304 van de GN.
23.Te weten, met mijn cursivering: “(…) in order to be covered by that heading they must be products which result
24.Het in de indelingsverordening ingedeelde product wordt – anders dan [het product] – verkregen uit (reeds)
25.Van welke post de Commissie in deze verordening overigens geen melding maakt.
26.Naar analogie kan in dit verband nog worden verwezen naar punt 41 van het al eerder vermelde arrest van het HvJ van 23 januari 2014, X, C-380/12, waaruit kan worden afgeleid – met betrekking tot een geheel andere tariefpost overigens – dat een verwijdering van stoffen die leidt tot een verbetering van het vermogen van de betrokken producten om de inherente bestemming daarvan te vervullen, het wezenlijk karakter van het product niet wijzigt.