Conclusie
[verweerder 1],
[verweerster 2],
1.Feiten en procesverloop
een pandrecht eerste rang op vorderingen"
a)veroordeling van [verweerder 1] tot afgifte van alle bankafschriften van de onder 1.1 sub f) genoemde bankrekening, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en
b)hoofdelijke veroordeling van [verweerder] c.s. tot betaling van een bedrag van € 247.544,07, te vermeerderen met het bedrag dat gemoeid is met de crediteringen en debiteringen van de genoemde rekening over de periode van 6 september tot en met 22 oktober 2012 en de debiteringen over de periode van 23 oktober tot 5 november 2012.
daadwerkelijkbenadeling van crediteuren heeft plaatsgevonden.”
2.Beoordeling van het cassatieberoep
strekkingin strijd is met de goede zeden en dat dit artikel niet als voorwaarde stelt dat komt vast te staan dat er als gevolg van de overeenkomst ook
daadwerkelijkbenadeling van crediteuren heeft plaatsgevonden.
subonderdeel 1.1miskent het hof met dit oordeel dat voor nietigheid van een rechtshandeling wegens strijd met de goede zeden op grond dat de strekking daarvan is om crediteuren te benadelen, vereist is dat ten tijde van het aangaan van de rechtshandeling (i) er crediteuren zijn en/of (ii) van een daadwerkelijke benadeling van die crediteuren sprake is geweest, althans dat op dat moment ten minste waarschijnlijk of aannemelijk is dat crediteuren door de rechtshandeling daadwerkelijk zullen worden benadeeld.
op de grond datde
strekkingvan die overeenkomst is om
crediteuren te benadelen, vindt de nietigheid van de overeenkomst m.i. haar rechtvaardiging reeds in dit gemeenschappelijke althans bij de ene partij voorzittende en aan de wederpartij kenbare motief. Reeds het onoorbare karakter van dit motief c.q. oogmerk brengt mee dat daarop de nietigheidssanctie kan worden gesteld. Anders dan het middel bepleit, is daarbij niet van belang of dit oogmerk tevens tot resultaat leidt of zal leiden in dier voege dat ten tijde van het aangaan van de overeenkomst daadwerkelijke benadeling heeft plaatsgevonden of aannemelijk is dat deze zal plaatsvinden. Om terug te keren naar het voorbeeld uit de toelichting: de verkoop van een mes terwijl de verkoper weet dat de koper voornemens is iemand te vermoorden, is nietig. Dat is niet anders indien de koper zijn voornemen niet ten uitvoer brengt.
benadelingvan crediteuren: voor zover daarvan daadwerkelijk sprake is, kan deze – onder bepaalde voorwaarden – ongedaan worden gemaakt. Daarbij is niet nodig dat de rechtshandeling is verricht met de bedoeling de schuldeisers te benadelen. [25] De handeling wordt niet zo onoorbaar geacht dat nietigheid van rechtswege op haar plaats is: de sanctie is slechts vernietigbaarheid resp. schadevergoeding. Bij het leerstuk van de onzedelijke overeenkomst ligt het vertrekpunt echter bij de
intenties c.q. het bewustzijnvan partijen. Deze maken de overeenkomst van rechtswege nietig, ongeacht of het beoogde effect wordt gerealiseerd. Naar mijn mening geeft het met subonderdeel 1.1 bestreden oordeel van het hof dan ook niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
subonderdeel 2.1is de lezing van het hof van de gedingstukken onbegrijpelijk indien het hof deze stelling van [eiser] daar niet in heeft gelezen [26] , mede omdat [verweerder] c.s. de stelling van [eiser] wel zo hebben begrepen. [27] Subonderdeel 2.2veronderstelt dat het hof de stelling van [eiser] rechtens niet van belang acht in het kader van de toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 2 en Pro 248 lid 2 BW) en klaagt het oordeel van het hof daarmee getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
subonderdeel 2.3dat het hof niet (kenbaar) is ingegaan op de stelling van [eiser] en aldus zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd.
middelonderdeel 3behoeft geen afzonderlijke bespreking.