ECLI:NL:PHR:2004:AO3868
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt schadeverdeling bij onrechtmatige huurbeëindiging en nietigheid exploitatieverplichting
De zaak betreft een geschil tussen eiseres en verweerders over de aansprakelijkheid voor een schadevergoeding aan een huurster van een horecapand. Verweerders verkochten het pand aan eiseres met een ontbindende voorwaarde bij voortzetting van de huurovereenkomst. Na een gerechtelijke procedure werd de huur beëindigd wegens dringend eigen gebruik, maar later bleek dat deze grond valselijk was voorgesteld om de huurster te benadelen.
Verweerders vorderden van eiseres vergoeding van de door hen aan de huurster verschuldigde schadevergoeding, stellende dat zij het pand noodgedwongen moesten exploiteren door het handelen van eiseres. Eiseres betwistte dit en stelde dat verweerders zelf verantwoordelijk waren. De lagere rechters oordeelden dat partijen gezamenlijk hadden gehandeld met een onjuiste voorstelling van zaken jegens de huurster en dat de schade daarom gelijkelijk moest worden verdeeld.
De Hoge Raad oordeelt dat de exploitatieverplichting die uit de overeenkomst voortvloeide nietig is wegens strijd met de goede zeden, omdat partijen gezamenlijk de huurster met bedrog benaderden. Desondanks bevestigt de Hoge Raad dat de schadeverdeling tussen partijen recht doet aan hun gezamenlijke aandeel in de schade. Het cassatieberoep wordt verworpen omdat de klachten van eiseres grotendeels irrelevant zijn door de nietigheid van de exploitatieverplichting en de juiste toepassing van de schadeverdelingsregels.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat partijen gezamenlijk aansprakelijk zijn voor de schadevergoeding aan de huurster.