Art. 5 sub 3 EEX-VoArt. 2 lid 1 EEX-VoArt. 6 sub e RvArt. 267 VWEUVerordening (EG) Nr. 44/2001
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Internationale bevoegdheid Nederlandse rechter bij vordering zuivere vermogensschade onder EEX-Verordening
Universal Music vordert vergoeding van vermogensschade die zij stelt te hebben geleden door een fout van een Tsjechisch advocatenkantoor bij het vaststellen van de formule voor de verkoopprijs van aandelen in een Tsjechische vennootschap. De schade betreft het verschil tussen de beoogde verkoopprijs en het betaalde schikkingsbedrag plus arbitragekosten.
De rechtbank Utrecht en het hof Arnhem-Leeuwarden verklaarden zich onbevoegd omdat de plaats van het schadebrengende feit en de initiële schade in Tsjechië liggen, terwijl de Nederlandse rechter slechts bevoegd zou zijn indien de schade in Nederland als plaats van het schadebrengende feit kan worden aangemerkt. Het hof oordeelde dat zuivere vermogensschade niet leidt tot internationale bevoegdheid van de rechter van het 'Erfolgsort'.
Universal Music stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel. De kernvraag is of art. 5 subPro 3 EEX-Vo ook toepassing vindt op zuivere vermogensschade die het directe gevolg is van een onrechtmatige daad in een andere lidstaat, en of de plaats waar deze schade intreedt (bijvoorbeeld Nederland) als plaats van het schadebrengende feit kan worden aangemerkt.
De conclusie adviseert het HvJEU prejudiciële vragen te stellen over de uitleg van art. 5 subPro 3 EEX-Vo in dit verband, met name of de plaats van intreding van zuivere vermogensschade als 'plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan' kan gelden en hoe initiële schade dient te worden bepaald. De procedure wordt geschorst in afwachting van het HvJEU-arrest.
Uitkomst: De Hoge Raad schorst de procedure en legt prejudiciële vragen voor aan het HvJEU over de uitleg van art. 5 sub 3 EEX-Vo betreffende zuivere vermogensschade.
Conclusie
13/03881
Mr. P. Vlas
Zitting, 3 oktober 2014
Conclusie inzake:
Universal Music International Holding B.V.
(hierna: Universal Music)
tegen
1) [verweerder 1], wonende te [woonplaats], Roemenië
2) [verweerder 2], wonende te [woonplaats], Canada
3) [verweerder 3], wonende te [woonplaats], Tsjechische Republiek
In deze zaak gaat het om de vraag of de Nederlandse rechter internationale bevoegdheid kan ontlenen aan art. 5 subPro 3 EEX-Verordening [2] om kennis te nemen van een vordering tot vergoeding van vermogensschade die het gevolg is van een fout die een Tsjechische advocaat heeft gemaakt bij het vaststellen van de formule ter bepaling van de verkoopprijs in het kader van een aandelentransactie tussen een Nederlandse koper en een Tsjechische verkoper.
1.Feiten en procesverloop
1.1
De relevante feiten zijn in cassatie als volgt. [3] Universal Music is een platenmaatschappij en onderdeel van Universal Music Group. In 1998 is Universal Music International Ltd., een tot de Universal Music Group behorende zustervennootschap van Universal Music, met de platenmaatschappij B&M spol s.r.o. (hierna: B&M), een vennootschap naar Tsjechisch recht, en de aandeelhouders van B&M overeengekomen dat een of meer nader te noemen vennootschappen binnen de Universal Music Group zeventig procent van de aandelen in B&M zouden kopen. Verder kwamen partijen overeen dat de koper in de periode tussen 1 januari en 31 december 2003 de resterende aandelen zou overnemen. De prijs voor de aandelen in B&M zou worden vastgesteld op het moment van de aankoop van het resterende aandelenkapitaal, maar de aandeelhouders van B&M zouden alvast een voorschot op de verkoopprijs ontvangen.
1.2
De belangrijkste punten van deze voorgenomen transactie zijn door partijen vastgelegd in een concept Letter of Intent (LoI). Uit de LoI blijkt dat de prijs voor alle aandelen vijfmaal de gemiddelde jaarwinst van B&M bedroeg (de beoogde verkoopprijs). Conform de LoI onderhandelden partijen vervolgens over een overeenkomst tot verkoop en levering van zeventig procent van de aandelen in B&M en tevens over een aandelenoptieovereenkomst voor de resterende dertig procent van de aandelen.
1.3
In opdracht van de Group Legal Department van Universal Music Group is de aandelenoptieovereenkomst opgesteld door het Tsjechische advocatenkantoor [A]. [4] Vanaf eind augustus 1998 zijn acht concepten van de aandelenoptieovereenkomst en het commentaar hierop tussen [A], de Group Legal Department en de aandeelhouders van B&M uitgewisseld. Gedurende deze onderhandelingen is Universal Music aangewezen als koper krachtens de overeenkomsten, waaronder de aandelenoptieovereenkomst.
1.4
Op 5 november 1998 hebben Universal Music, B&M en de aandeelhouders van B&M een aandelenoptieovereenkomst gesloten. Uit de tekst van deze overeenkomst blijkt dat een namens Group Legal Department voorgestelde tekstwijziging deels door een medewerker van [A] is overgenomen, hetgeen ertoe heeft geleid dat de verkoopprijs werd vervijfvoudigd ten opzichte van de beoogde verkoopprijs en werd vermenigvuldigd met het aantal aandeelhouders (vier).
1.5
In augustus 2003 heeft Universal Music voldaan aan haar verplichting om de resterende aandelen van de aandeelhouders van B&M te kopen. Zij berekende de prijs conform de beoogde verkoopprijs op een bedrag van CZK 10.180.281,- (ongeveer € 313.770,41). De aandeelhouders van B&M maakten evenwel aanspraak op een koopprijs overeenkomstig de formule in de aandelenoptieovereenkomst, hetgeen resulteerde in een bedrag van CKZ 1.003.605.620,- (ongeveer € 30.932.520,27).
1.6
De partijen bij de aandelenoptieovereenkomst hebben de kwestie vervolgens voorgelegd aan een arbitragecommissie. Op 31 januari 2005 hebben Universal Music en de aandeelhouders van B&M een vaststellingsovereenkomst gesloten op grond waarvan Universal Music aan de aandeelhouders voor dertig procent van de aandelen een totale prijs van € 2.654.280,03 heeft voldaan.
1.7
In de onderhavige procedure vordert Universal Music hoofdelijke veroordeling van [verweerders] tot betaling van € 2.767.861,25, vermeerderd met rente en kosten. Het betreft de schade die Universal Music stelt te hebben geleden als gevolg van de hiervoor genoemde fout bij het vaststellen van de formule ter bepaling van de verkoopprijs van de aandelen. De schade bestaat uit het verschil tussen de beoogde verkoopprijs en het door Universal Music betaalde schikkingsbedrag en de kosten die zij heeft moeten maken in verband met de arbitrage en de schikking. [5]
1.8
Volgens Universal Music is deze schade ingetreden in Baarn, alwaar zij haar plaats van vestiging heeft, en komt de Nederlandse rechter mitsdien internationale bevoegdheid toe krachtens art. 5 subPro 3 EEX-Vo. [verweerder 1] en [verweerder 3] hebben zich tijdig op de onbevoegdheid van de Nederlandse rechter beroepen.
1.9
Bij vonnis van 27 mei 2009 [6] heeft de rechtbank Utrecht zich onbevoegd verklaard om van de vordering van Universal Music kennis te nemen. De rechtbank heeft overwogen dat de bevoegdheid jegens de in Roemenië woonachtige [verweerder 1] [7] en de in Canada woonachtige [verweerder 2] beoordeeld moet worden op grond van art. 6 sub e RvPro en ten aanzien van de overige gedaagden op grond van art. 5 subPro 3 EEX-Vo. De rechtbank is van oordeel dat de door Universal Music gestelde schade zuivere vermogensschade betreft die het directe (initiële) gevolg is van het schadebrengende feit en dat de vraag rijst of de plaats waar zuivere initiële vermogensschade is ingetreden – in het onderhavige geval Baarn ter plaatse van vestiging van Universal Music – kan worden aangemerkt als de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan in de zin van art. 5 subPro 3 EEX-Vo. De rechtbank is van oordeel dat er geen feiten zijn gesteld die zich in Nederland hebben afgespeeld en dat – kort gezegd – onvoldoende aanknopingspunten bestaan om bevoegdheid van de Nederlandse rechter op grond van art. 5 subPro 3 EEX-Vo aan te nemen. [8]
1.1
Bij arrest van 15 januari 2013 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. [9] Samengevat heeft het hof als volgt overwogen. De internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter moet worden beoordeeld op grond van art. 5 subPro 3 EEX-Vo voor zover de vordering is gericht tegen [verweerder 3], en op grond van art. 6 RvPro voor zover de vordering is gericht tegen [verweerder 2] en [verweerder 1] (rov. 4.5). Daar de rechtsmachtgronden in art. 6 RvPro grotendeels zijn ontleend aan art. 5 EEXPro-Verdrag en art. 5 EVEXPro [10] , wijkt de beoordeling van de rechtsmacht ten aanzien van elk van de partijen in feite niet af, hoewel het formeel om verschillende bevoegdheidsgrondslagen gaat (rov. 4.6). Het hof heeft zich verder gericht op de vraag of uit art. 5 subPro 3 EEX-Vo bevoegdheid voortvloeit voor het gerecht van de plaats waar, als gevolg van een onrechtmatige daad, zuivere vermogensschade wordt geleden. Volgens het hof is dat niet het geval (rov. 4.7).
1.11
Het hof heeft gewezen op de jurisprudentie van het HvJEU waarin is beslist dat het begrip ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’ in de zin van (thans) art. 5 subPro 3 EEX-Vo zowel kan betekenen de plaats waar de schade is veroorzaakt (‘Handlungsort’) als de plaats waar de schade intreedt (‘Erfolgsort’) en dat bij de bepaling van het ‘Erfolgsort’ slechts betekenis mag worden toegekend aan de aanvankelijke of initiële schade (rov. 4.8). Het hof heeft voorts overwogen dat het HvJEU zich nog niet uitdrukkelijk heeft uitgelaten over de vraag of een ‘Erfolgsort’ internationale bevoegdheid op grond van art. 5 subPro 3 EEX-Vo kan opleveren, wanneer op die plaats uitsluitend zuivere (initiële) vermogensschade wordt geleden (rov. 4.9). Volgens het hof ontbreekt in het onderhavige geval het ‘bijzonder nauw verband’ tussen de vordering en de aangezochte rechter, welk vereiste in de rechtspraak van het HvJEU over art. 5 subPro 3 EEX-Vo wordt gesteld. Het geschil vloeit voort uit een fout die zou zijn gemaakt door een Tsjechische advocaat, werkzaam voor een in Tsjechië gevestigd kantoor, in de tekst van een overeenkomst, beheerst door Tsjechisch recht, die zag op de overname van een in Tsjechië gevestigde onderneming. Zowel de koper als de verkopers waren gevestigd in Tsjechië [11] en de koopprijs werd in Tsjechische kronen betaald. Ook de arbitrage met betrekking tot het geschil over de koopprijs vond plaats in Tsjechië, de schikkingsovereenkomst is in Tsjechië ondertekend en het schikkingsbedrag is in Tsjechië betaald. Tegen deze achtergrond biedt, met het oog op de goede rechtsbedeling en nuttige procesinrichting, het enkele feit dat het schikkingsbedrag ten laste is gekomen van een in Nederland gevestigde vennootschap onvoldoende basis voor de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter (rov. 4.10). Volgens het hof komt de door de EEX-Verordening beoogde voorzienbaarheid van de krachtens de verordening bevoegde rechter in het geding, indien de bevoegdheid zou kunnen worden gegrond op het enkele gegeven dat de financiële schade in een bepaald land wordt geleden terwijl voor het overige iedere band met dat land ontbreekt. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de bijzondere bevoegdheidsregel van art. 5 subPro 3 EEX-Vo een afwijking vormt van het fundamentele beginsel dat de gedaagde wordt opgeroepen voor de gerechten van de lidstaat waar hij woonplaats heeft, en dat aan de bijzondere bevoegdheidsregel van art. 5 subPro 3 EEX-Vo een strikte uitlegging moet worden gegeven (rov. 4.11). Het hof is tot de slotsom gekomen dat het onder de EEX-Verordening niet de bedoeling is dat zuivere vermogensschade internationale bevoegdheid creëert (rov. 4.12). Het hof heeft in het midden gelaten of de schade waarvan Universal Music vergoeding vordert initiële schade is, hetgeen door [verweerder 3] is betwist, omdat naar het oordeel van het hof de Nederlandse rechter in dit geval hoe dan ook geen bevoegdheid toekomt (rov. 4.14).
1.12
Universal Music heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. [verweerder 1] en [verweerder 3] hebben gemotiveerd verweer gevoerd en op hun beurt ieder afzonderlijk voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. [verweerder 2] is in cassatie niet verschenen.
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
2.1
Het principaal cassatiemiddel valt uiteen in vijf onderdelen (a t/m e) en keert zich tegen het oordeel van het hof dat de Nederlandse rechter geen internationale bevoegdheid heeft om kennis te nemen van de vordering van Universal Music tot vergoeding van de door haar geleden vermogensschade als gevolg van het onrechtmatig handelen van [verweerders] In de kern betoogt het middel dat de Nederlandse rechter als de rechter van de plaats waar initiële vermogensschade wordt geleden, internationale bevoegdheid toekomt op grond van art. 5 subPro 3 EEX-Vo.
2.2
[verweerder 3] en [verweerder 1] hebben ieder afzonderlijk incidenteel cassatieberoep ingesteld onder de voorwaarde dat het principaal cassatiemiddel doel treft. [verweerder 3] en [verweerder 1] stellen zich op het standpunt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het bestreden arrest zou inhouden dat de initiële vermogensschade van Universal Music is ingetreden in Nederland; de initiële vermogensschade zou in Tsjechië zijn ingetreden met het ondertekenen van de aandelenoptieovereenkomst. [verweerder 1] komt voorts nog op tegen het oordeel van het hof dat art. 6 sub e RvPro op dezelfde wijze dient te worden uitgelegd als art. 5 subPro 3 EEX-Vo.
2.3
Bij de behandeling van de middelen kan het volgende worden vooropgesteld. In de bevoegdheidsregeling van de EEX-Verordening geldt als uitgangpunt dat zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, worden opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat (art. 2 lid 1 EEXPro-Vo). Op dit uitgangspunt wordt een aantal uitzonderingen gemaakt, waaronder die genoemd in art. 5 EEXPro-Vo inzake de bijzondere bevoegdheden. Art. 5 subPro 3 EEX-Vo bevat een bijzondere bevoegdheidsgrond met betrekking tot vorderingen uit onrechtmatige daad. [12] Op grond van deze bevoegdheidsregel kan een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, ter zake van een vordering uit onrechtmatige daad worden opgeroepen in een andere lidstaat ‘voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen’. Het is aan de eiser om te bepalen of hij de verweerder dagvaardt voor de gerechten in de lidstaat van de woonplaats van de verweerder op grond van art. 2 lid 1 EEXPro-Vo of in een andere lidstaat voor de bevoegde rechter van de plaats waar zich het schadebrengende feit heeft voorgedaan op grond van art. 5 subPro 3 EEX-Vo.
2.4
De bijzondere bevoegdheidsgrond van art. 5 subPro 3 EEX-Vo berust op het bestaan van een nauwe band tussen de vordering uit onrechtmatige daad en het aangezochte gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. De bevoegdheid van dit gerecht wordt gerechtvaardigd door de eisen van een goede rechtsbedeling en een nuttige procesinrichting. [13] Het gerecht van de plaats in een lidstaat waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, wordt in het algemeen het beste in staat geacht om zich uit te laten over de vordering uit onrechtmatige daad, omdat de afstand tot het schadebrengende feit en de schade geringer is en de bewijsvoering gemakkelijker in verhouding tot de gerechten van andere lidstaten die verder van het schadebrengende feit afstaan. [14]
2.5
Volgens vaste rechtspraak van het HvJEU moet aan art. 5 subPro 3 EEX-Vo een ‘strikte uitlegging’ worden gegeven die niet verder mag gaan dan de door de EEX-Verordening uitdrukkelijk voorziene gevallen. [15] Een al te ruime uitleg van art. 5 subPro 3 EEX-Vo zou kunnen leiden tot een uitholling van het ‘fundamentele beginsel’ van bevoegdheidsrecht dat zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat krachtens art. 2 lid 1 EEXPro-Vo worden opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. Bovendien zou een al te ruime uitleg van art. 5 subPro 3 EEX-Vo tot gevolg kunnen hebben dat deze bijzondere bevoegdheidsgrond in veel gevallen resulteert in een bevoegdheid voor het gerecht van de lidstaat waar de eiser woonplaats heeft, terwijl de opstellers van de EEX-Verordening de woonplaats van de eiser als bevoegdheidsgrond zoveel mogelijk hebben willen uitsluiten buiten de uitdrukkelijk in de EEX-Verordening voorziene gevallen. [16]
2.6
Indien de plaats waar zich het feit heeft voorgedaan dat tot aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad kan leiden en de plaats waar als gevolg van dat feit schade is ontstaan, niet samenvallen in één lidstaat, moet de door art. 5 subPro 3 EEX-Vo bedoelde ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’ volgens de rechtspraak van het HvJEU aldus worden verstaan dat daaronder zowel de in een lidstaat gelegen plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis valt (het ‘Handlungsort’) als de in een andere lidstaat gelegen plaats waar de schade is ingetreden (het ‘Erfolgsort’). [17] De ratio van deze bevoegdheid ten gunste van de gerechten van het ‘Handlungsort’ en van het ‘Erfolgsort’ kan als volgt worden samengevat. Van een aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad als bedoeld in art. 5 subPro 3 EEX-Vo kan pas sprake zijn wanneer een oorzakelijk verband bestaat tussen de schade en het feit waaruit die schade is voortgekomen. Gelet op de nauwe band tussen deze voor elke aansprakelijkheid noodzakelijke elementen, heeft zowel de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis als de plaats waar de schade intreedt aanknopingswaarde voor de bevoegdheid krachtens art. 5 subPro 3 EEX-Vo, omdat elk van deze aanknopingspunten naar gelang de omstandigheden een bijzonder nuttig uitgangspunt kan vormen voor de bewijslevering en de bewijsvoering. [18] Anders gezegd, staan de gerechten in zowel het ‘Handlungsort’ als het ‘Erfolgsort’ voldoende dichtbij de onrechtmatige handeling respectievelijk de daardoor veroorzaakte schade om bij uitstek in staat te worden geacht de aan de verweerder verweten onrechtmatige handeling te kunnen beoordelen.
2.7
Het ‘Handlungsort’ laat zich in de regel eenvoudig vaststellen op de plaats waar zich het schadebrengende feit heeft voorgedaan dat ten grondslag ligt aan een onrechtmatige daad. De lokalisatie van het ‘Erfolgsort’ kan daarentegen lastiger zijn, zo blijkt ook uit de rechtspraak van het HvJEU over art. 5 subPro 3 EEX-Vo. In ieder geval is duidelijk dat de plaats waar de schade is ingetreden (het ‘Erfolgsort’) moet worden beschouwd als ‘de plaats waar het feit dat aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad kan meebrengen schade heeft veroorzaakt’, of anders gezegd ‘de plaats waar de gevolgen van het schadebrengende feit intreden, dat wil zeggen de plaats waar de (…) schade zich concreet voordoet’. [19] Deze plaats kan echter niet zo ruim worden uitgelegd dat het iedere plaats omvat waar de schadelijke gevolgen voelbaar zijn van een feit dat reeds elders daadwerkelijk ingetreden schade heeft veroorzaakt. [20] Het gaat derhalve bij het ‘Erfolgsort’ om de plaats waar de aanvankelijke of initiële schade zich manifesteert als gevolg van een onrechtmatige gedraging in het ‘Handlungsort’.
2.8
Met betrekking tot vermogensschade kan in het bijzonder worden gewezen op HvJEG 19 september 1995, C-364/93, ECLI:EU:C:1995:289, Jur. 1995, p. I-2719, NJ 1997/52, m.nt. Th.M. de Boer (Marinari/Lloyd’s Bank), waaruit volgt dat de plaats waar de schade is ingetreden, niet ziet op de plaats waar de gelaedeerde stelt vermogensschade te hebben geleden als gevolg van een door hem geleden, in een andere staat ingetreden aanvankelijke schade. Afgeleide vermogensschade als gevolg van elders ingetreden initiële schade, is geen relevant aanknopingspunt voor de bevoegdheid krachtens art. 5 subPro 3 EEX-Vo. Voorts kan worden gewezen op HvJEU 10 juni 2004, C-168/02, ECLI:EU:C:2004:364, Jur. 2004, p. I-6009, NJ 2006/335, m.nt. P. Vlas (Kronhofer/Maier), waaruit volgt dat de plaats waar de schade is ingetreden niet ziet op de plaats waar de gelaedeerde woont of zich het centrum van zijn vermogen bevindt op de enkele grond dat hij aldaar financiële schade heeft geleden die voortvloeit uit het in een andere staat ingetreden en door hem geleden verlies van onderdelen van zijn vermogen. In deze laatste zaak ging het om een geval waarin de in Oostenrijk woonachtige Kronhofer callopties op aandelen had genomen en daartoe geld had gestort op rekening van een in Duitsland gevestigde beleggingsmaatschappij. Nadat met het gestorte bedrag callopties op aandelen op de beurs in Londen waren gekocht en het geïnvesteerde bedrag voor een belangrijk deel verloren is gegaan, heeft Kronhofer bij de Oostenrijkse rechter een vordering tot schadevergoeding ingesteld. Volgens Kronhofer was de Oostenrijkse rechter bevoegd als rechter van ‘de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’, omdat daaronder ook zou vallen de plaats waar de gelaedeerde zijn woonplaats heeft of stelt het ‘centrum van zijn vermogen’ te hebben. Volgens het HvJEU was dit echter niet het geval, omdat de plaats waar de schadeveroorzakende handeling is verricht en de plaats waar de schade is ingetreden, beide in Duitsland waren gelegen (rov. 17). In mijn noot onder het Kronhofer-arrest heb ik mij destijds afgevraagd of de uitkomst anders zou zijn geweest, indien Kronhofer het geld op een in Oostenrijk door de Duitse beleggingsmaatschappij aangehouden rekening zou hebben gestort waarmee de callopties zouden zijn aangekocht. [21] Een soortgelijke kwestie is thans nog aanhangig bij het HvJEU, waarin de vraag naar de uitleg van art. 5 subPro 3 EEX-Vo aan de orde komt in het geval van de uitgifte en aankoop van obligaties aan toonder op basis van een prospectus die onjuiste informatie bevat. [22]
2.9
De vraag hoe de in art. 5 subPro 3 EEX-Vo genoemde ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’ moet worden uitgelegd wanneer sprake is van zuivere vermogensschade die het rechtstreekse gevolg is van het schadebrengende feit – en dus geen afgeleide vermogensschade betreft – , is in de rechtspraak van het HvJEU nog niet beantwoord. Bij zuivere vermogensschade is geen sprake van aan personen of zaken toegebrachte fysieke schade, maar heeft de onrechtmatige gedraging geleid tot initiële schade aan het vermogen van de gelaedeerde. Uw Raad heeft bij arrest van 4 april 2008 [23] aan het HvJEU onder andere de prejudiciële vraag voorgelegd of de plaats waar de schade is ingetreden slechts kan worden aangemerkt als de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan in de zin van art. 5 subPro 3 EEX-Vo, indien de schade bestaat in fysieke schade aan personen of zaken dan wel of dit mede mogelijk is indien (vooralsnog) slechts vermogensschade is geleden. Het HvJEU heeft hierop geen antwoord gegeven, omdat de vraag of loutere vermogensschade als aanknopingspunt voor een bevoegdheid krachtens art. 5 subPro 3 EEX-Vo gehanteerd kan worden, in het voorliggende geval als ‘zuiver hypothetisch’ werd aangemerkt. [24]
2.1
Ik keer terug naar de zaak waarover thans het oordeel van de Hoge Raad wordt gevraagd. Zoals reeds vermeld, vordert Universal Music vergoeding van vermogensschade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van de aan [verweerders] verweten handeling in het kader van een aandelentransactie die in Tsjechië heeft plaatsgevonden. Vast staat dat de aan [verweerders] verweten handeling – de vermelding in de aandelenoptieovereenkomst van een onjuiste berekeningswijze voor het bepalen van de aandelenprijs – heeft plaatsgevonden in Tsjechië. Universal Music heeft als gevolg hiervan een hogere prijs voor de aandelen moeten betalen dan de tussen partijen beoogde verkoopprijs. Volgens Universal Music bestaat de vermogensschade die zij stelt te hebben geleden uit het verschil tussen de beoogde verkoopprijs en het door haar betaalde schikkingsbedrag en de kosten die zij heeft moeten maken in verband met de arbitrage en de schikking. [25] Zij stelt derhalve initiële vermogensschade in Nederland te hebben geleden door de in Tsjechië gepleegde handeling.
2.11
In dit verband rijst de vraag wat als initiële schade van Universal Music heeft te gelden: is dat de stijging van de prijs van de aandelen in B&M als gevolg van het in Tsjechië ondertekenen van de aandelenoptieovereenkomst met daarin een niet door partijen beoogde berekeningswijze voor de aandelenprijs? Of geldt als initiële schade de schade die Universal Music lijdt als gevolg van de betalingen die zij vanuit Nederland heeft verricht ter nakoming van de schikkingsovereenkomst en in verband met de kosten die zij heeft moeten maken voor de arbitrage en voor de schikking? In het eerste geval hebben zowel het schadebrengende feit (de aan [verweerders] verweten beroepsfout) als de schadelijke gevolgen daarvan (stijging van de aandelenprijs) in Tsjechië plaatsgevonden, waardoor geen sprake is van het uiteenvallen van het ‘Handlungsort’ en het ‘Erfolgsort’. In het tweede geval heeft de aan [verweerders] verweten beroepsfout plaatsgevonden in Tsjechië, terwijl ten gevolge daarvan de schadelijke gevolgen aan het vermogen van Universal Music zijn ingetreden in Nederland. In deze laatste situatie zou aan de Nederlandse rechter onder de gelding van art. 5 subPro 3 EEX-Vo bevoegdheid kunnen toekomen als rechter van het ‘Erfolgsort’.
2.12
Het hof heeft in rov. 4.14 van het bestreden arrest de juistheid van de vraag of van initiële schade sprake is in het midden gelaten. Het hof is kennelijk van oordeel geweest dat deze vraag in het midden kon blijven, omdat bij initiële vermogensschade geen sprake is van een ‘Erfolgsort’ in de zin van art. 5 subPro 3 EEX-Vo. Hiertegen keert het principale middel zich niet en stelt het middel zich op het standpunt dat in cassatie veronderstellenderwijs ervan moet worden uitgegaan dat deze vermogensschade geldt als initiële schade. [26] [verweerder 3] en [verweerder 1] hebben ieder onder meer op dit punt voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Zij hebben kort gezegd betoogd dat de omstandigheid dat de betaling van de koopprijs, althans van het schikkingsbedrag, ten laste komt van het vermogen van een in Nederland gevestigde vennootschap, niet kan worden aangemerkt als initiële schade voor de toepassing van art. 5 subPro 3 EEX-Vo.
2.13
Leent art. 5 subPro 3 EEX-Vo zich voor toepassing in gevallen waarin sprake is van zuivere vermogensschade in een lidstaat als rechtstreeks gevolg van een onrechtmatige gedraging in een andere lidstaat? In de literatuur bestaat geen eenstemmigheid over de vraag of de plaats waar de schade is ingetreden (het ‘Erfolgsort’) ziet op alle vormen van initiële schade, inclusief zuivere vermogensschade (ruime uitleg), of alleen betrekking heeft op fysieke schade aan personen of zaken en dus niet op zuivere vermogensschade (beperkte uitleg). [27] Tegen een ruime uitleg pleit dat de lokalisatie van de plaats waar de schade is ingetreden in geval van zuivere vermogensschade willekeurig kan uitpakken en kan leiden tot een veelheid van bevoegde rechters, bijvoorbeeld in het geval dat de betaling die tot de vermogensschade heeft geleid is verricht vanaf verschillende bankrekeningen in verschillende lidstaten. Verder bestaat het gevaar dat de plaats waar de schade wordt geleden manipuleerbaar wordt met het oog op het creëren van een bevoegde rechter krachtens art. 5 subPro 3 EEX-Vo. [28] Betwijfeld kan worden of de bevoegdheid van het gerecht van de lidstaat waar zich de zuivere vermogensschade laat lokaliseren, beantwoordt aan de ratio van art. 5 subPro 3 EEX-Vo om bevoegdheid te verlenen aan het gerecht van de plaats in een lidstaat waarmee de onrechtmatige daad nauw is verbonden. Bovendien zal een ruime uitleg in de meeste gevallen ertoe leiden dat bevoegdheid wordt gecreëerd ten gunste van het gerecht van de woonplaats van de eiser, hetgeen op bezwaren zal stuiten in verband met hetgeen ik heb vermeld in nr. 2.4 en 2.5 van deze conclusie.
2.14
Moet in verband met de hiervoor genoemde bezwaren tegen een ruime uitleg van het ‘Erfolgsort’ worden aangenomen dat initiële vermogensschade slechts in één staat kan worden gelokaliseerd, namelijk ter plaatse van het ‘Handlungsort’? Bij een dergelijke beperkte uitleg van art. 5 subPro 3 EEX-Vo vallen het ‘Handlungsort’ en het ‘Erfolgsort’ niet uiteen en is uitsluitend de rechter bevoegd van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. Zie hiervoor ook nr. 2.11.
2.15
Over het juiste antwoord op de vraag of van de ruime dan wel van de enge opvatting dient te worden uitgegaan, kan derhalve worden getwijfeld. Het HvJEU heeft zich hierover nog niet eerder duidelijk uitgelaten, zodat geen sprake is van een ‘acte clair’ of van een ‘acte éclairé’. [29] Ik heb mij afgevraagd of de omstandigheid dat het hof in rov. 4.14 van het bestreden arrest in het midden heeft gelaten of sprake is van initiële schade, een beletsel kan zijn voor het stellen van een prejudiciële vraag aan het HvJEU. Het is immers vaste rechtspraak van het HvJEU dat het Hof geen oordeel geeft over hypothetische situaties. [30] In dit geval acht ik geen hypothetische situatie aanwezig. Volgens de stellingen van Universal Music is door haar initiële schade geleden in Nederland ter plaatse van haar vestiging. De rechter moet voor het vaststellen van zijn internationale bevoegdheid uitgaan van de stellingen van de eiser. [31] Het hof heeft in rov. 4.14 de kwestie of van initiële schade sprake is in het midden gelaten, omdat naar zijn oordeel zuivere vermogensschade niet kan leiden tot een bevoegdheid van de rechter van het ‘Erfolgsort’. Voor de beslissing van de onderhavige zaak is het echter noodzakelijk te vernemen of de rechter van het ‘Erfolgsort’ inderdaad bevoegd is op grond van art. 5 subPro 3 EEX-Vo kennis te nemen van een vordering tot vergoeding van zuivere vermogensschade geleden ter plaatse van de vestiging van eiseres. Ik adviseer Uw Raad dan ook op de voet van art. 267 VWEUPro aan het HvJEU de prejudiciële vraag voor te leggen of voor de toepassing van art. 5 subPro 3 EEX-Vo als ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’ kan worden aangemerkt de plaats in een lidstaat waar de schade is ingetreden, wanneer deze schade bestaat uit vermogensschade door betaling van bedragen die in die lidstaat worden verricht, welke schade is ontstaan als rechtstreeks gevolg van een onrechtmatige gedraging in een andere lidstaat.
3.Conclusie
De conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad, alvorens verder te beslissen op het cassatieberoep, het HvJEU zal verzoeken uitspraak te doen over de onder 2.15 van deze conclusie genoemde vraag van uitlegging inzake art. 5 subPro 3 EEX-Vo en het geding zal schorsen totdat het HvJEU naar aanleiding van dat verzoek uitspraak zal hebben gedaan.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
1.Bij akte van 18 oktober 2013 heeft Universal Music afstand van instantie gedaan jegens een andere verweerder, te weten de rechtspersoon naar vreemd recht [A] Limited.
2.Verordening (EG) Nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEG 2001, L 12/1, hierna afgekort als: EEX-Vo.
3.Zie rov. 3 van het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 15 januari 2013 in verbinding met rov. 2.1 t/m 2.8 van het vonnis van de rechtbank Utrecht van 27 mei 2009.
4.Zie noot 1.
5.Zie o.a. Inleidende dagvaarding, nr. 31; MvG, nr. 30; cassatiedagvaarding, nr. 2.1.8 en 4.8; st. cassatie, nr. 4.1.24.
7.Ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding (11 april 2006) in deze zaak was Roemenië nog geen lidstaat van de EU en derhalve nog niet gebonden aan de EEX-Verordening. Roemenië is met ingang van 1 januari 2007 toegetreden.
8.Zie rov. 5.10 en 5.11 van het vonnis van de rechtbank Utrecht.
10.Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, gesloten te Lugano op 16 september 1988, Trb. 1989, 59, welk verdrag is opgevolgd door het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, gesloten te Lugano op 30 oktober 2007, PbEU L 339/3. Het verdrag wordt wel afgekort als EVEX (I resp. II).
11.Opmerking verdient dat de koper (Universal Music), anders dan het hof abusievelijk stelt, niet is gevestigd in Tsjechië maar in Nederland. Zie ook de tegen deze onjuiste vaststelling van het hof gerichte klacht in het cassatiemiddel van Universal Music, nr. 4.9.
12.Art. 5 subPro 3 EEX-Verdrag is daaraan nagenoeg gelijkluidend. De rechtspraak gewezen over art. 5 subPro 3 EEX-Verdrag blijft van belang voor de uitleg van art. 5 subPro 3 EEX-Vo; zie bijv. HvJEG 16 juli 2009, C-189/08, ECLI:EU:C:2009:475, Jur. 2009, p. I-6917, NJ 2011/349, m.nt. Th.M. de Boer (Zuid-Chemie/Philippo’s), rov. 18-19; HvJEU 25 oktober 2012, C-133/11, ECLI:EU:C:2012:664, NJ 2013/80, m.nt. L. Strikwerda (Fischer/Ritrama), rov. 31-32.
13.Dit is vaste rechtspraak van het HvJEU. Zie o.a. HvJEG 30 november 1976, zaak 21/76, ECLI:EU:C:1976:166, Jur. 1976, p. 1735, NJ 1977/494, m.nt. J.C. Schultsz (Bier/Mines de potasse d’Alsace), rov. 11; HvJEG 7 maart 1995, C-68/93, ECLI:EU:C:1995:61, Jur. 1995, p. I-415, NJ 1996/269, m.nt. Th.M. de Boer (Shevill/Presse Alliance), rov. 19; HvJEG 16 juli 2009, C-189/08, ECLI:EU:C:2009:475, Jur. 2009, p. I-6917, NJ 2011/349, m.nt. Th.M. de Boer (Zuid-Chemie/Philippo’s), rov. 24; HvJEU 16 januari 2014, C-45/13, ECLI:EU:C:2014:7, NJ 2014/365, m.nt. L. Strikwerda (Kainz/Pantherwerke), rov. 27; HvJEU 3 april 2014, C-387/12, ECLI:EU:C:2014:215, RvdW 2014/799 (Hi Hotel HCF/Spoering), rov. 28. Zie ook de considerans van de EEX-Verordening, punt 12: ‘Naast de woonplaats van de verweerder moeten er alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken’.
14.Zie o.a. HvJEG 1 oktober 2002, C-167/00, ECLI:EU:C:2002:555, Jur. 2002, p. I-8111, NJ 2005/221, m.nt. P. Vlas (VKI/Henkel), rov. 46; HvJEU 25 oktober 2012, C-133/11, ECLI:EU:C:2012:664, NJ 2013/80, m.nt. L. Strikwerda (Fischer/Ritrama), rov. 38; HvJEU 16 mei 2013, C-228/11, ECLI:EU:C:2013:305, NJ 2013/520, m.nt. L. Strikwerda (Melzer/MF Global), rov. 27.
15.Zie o.a. HvJEG 10 juni 2004, C-168/02, ECLI:EU:C:2004:364, Jur. 2004, p. I-6009, NJ 2006/335, m.nt. P. Vlas (Kronhofer/Maier), rov. 14; HvJEG 16 juli 2009, C-189/08, ECLI:EU:C:2009:475, Jur. 2009, p. I-6917, NJ 2011/349, m.nt. Th.M. de Boer (Zuid-Chemie/Philippo’s), rov. 22; HvJEU 16 mei 2013, C-228/11, ECLI:EU:C:2013:305, NJ 2013/520, m.nt. L. Strikwerda (Melzer/MF Global), rov. 24; HvJEU 3 april 2014, C-387/12, ECLI:EU:C:2014:215, RvdW 2014/799 (Hi Hotel HCF/Spoering), rov. 26; HvJEU 5 juni 2014, C-360/12, ECLI:EU:C:1318, RvdW 2014/1003 (Coty Germany/First Note Perfumes), rov. 45.
16.Zie o.a. HvJEG 19 september 1995, C-364/93, ECLI:EU:C:1995:289, Jur. 1995, p. I-2719, NJ 1997/52, m.nt. Th.M. de Boer (Marinari/Lloyd’s Bank), rov. 13; HvJEG 27 oktober 1998, C-51/97, ECLI:EU:C:1998:509, Jur. 1998, p. I-6511, NJ 2000/156, m.nt. P. Vlas (Réunion européenne/Spliethoff’s Bevrachtingskantoor), rov. 29.
17.Vaste rechtspraak sedert HvJEG 30 november 1976, zaak 21/76, ECLI:EU:C:1976:166, Jur. 1976, p. 1735, NJ 1977/494, m.nt. J.C. Schultsz (Bier/Mines de potasse d’Alsace), rov. 24.
18.Zie o.a. HvJEG 30 november 1976, zaak 21/76, ECLI:EU:C:1976:166, Jur. 1976, p. 1735, NJ 1977/494, m.nt. J.C. Schultsz (Bier/Mines de potasse d’Alsace), rov. 15-17, HvJEG 16 juli 2009, C-189/08, ECLI:EU:C:2009:475, Jur. 2009, p. I-6917, NJ 2011/349, m.nt. Th.M. de Boer (Zuid-Chemie/Philippo’s), rov. 28.
19.HvJEG 16 juli 2009, C-189/08, ECLI:EU:C:2009:475, Jur. 2009, p. I-6917, NJ 2011/349, m.nt. Th.M. de Boer (Zuid-Chemie/Philippo’s), rov. 26-27; HvJEU 5 juni 2014, C-360/12, ECLI:EU:C:2014:1318, RvdW 2014/1003 (Coty Germany/First Note Perfumes), rov. 54.
20.HvJEG 10 juni 2004, C-168/02, ECLI:EU:C:2004:364, Jur. 2004, p. I-6009, NJ 2006/335, m.nt. P. Vlas (Kronhofer/Maier).
21.Zie nr. 4 van mijn noot in NJ 2006/335.
22.Zie aanhangige zaak C-375/13 (Harald Kolassa/Barclays Bank PLC). Op 3 september 2014 heeft A-G Szpunar in deze zaak conclusie genomen, ECLI:EU:C:2014:2135, zie punt 61 van de conclusie waarin de A-G ingaat op de uitleg van art. 5 subPro 3 EEX-Vo.
24.HvJEG 16 juli 2009, C-189/08, ECLI:EU:C:2009:475, Jur. 2009, p. I-6917, NJ 2011/349, m.nt. Th.M. de Boer (Zuid-Chemie/Philippo’s), rov. 35. Zie voor het vervolg in deze zaak: HR 8 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010: BN1405, NJ 2011/350.
25.Zie nr. 1.7 van deze conclusie.
26.Zie het cassatiemiddel onder 4.7.
27.Zie conclusie A-G Strikwerda, voor HR 4 april 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BC3305, nrs. 14-15. Zie voor een beperkte uitleg o.a. Th.M. de Boer in zijn noot onder HvJEG 16 juli 2009, C-189/08, NJ 2011/349 (Zuid-Chemie/Philippo’s), nr. 4; H. Duintjer Tebbens/M. Zilinsky, Productaansprakelijkheid, Praktijkreeks IPR, deel 18, 2009, p. 57; vgl. ook H. Duintjer Tebbens, Het ‘forum delicti’ voor professionele productaansprakelijkheid en het Europese Hof van Justitie: een initieel antwoord over initiële schade, NIPR 2010, p. 209. Zie bijvoorbeeld ook Hof Arnhem 29 december 1998, NIPR 1999/272. Zie voor een ruime uitleg o.a. J.A. Pontier, Onrechtmatige daad en andere niet-contractuele verbintenissen, Praktijkreeks IPR, deel 16, 2009, p. 94. Zie meer in het algemeen Magnus/Mankowski/ Mankowski, Brussels I Regulation, 2012, art. 5, aant. 238; S. Leible, in: T. Rauscher (hrsg.), Europäisches Zivilprozeβrecht, 2006, p. 198, p. 205; B. Hess, Europäisches Zivilprozessrecht, 2010, p. 282-283; R. Geimer/R.A. Schütze, Europäisches Zivilverfahrensrecht, 2010, p. 242; Hélène Gaudemet-Tallon, Compétence et exécution des jugements en Europe, 2010, p. 224-225; J. Kropholler/J. von Hein, Europäisches Zivilprozessrecht, 2011, p. 230-231.
28.Zie ook Magnus/Mankowski/Mankowski, Brussels I Regulation, 2012, art. 5, aant. 239.
29.Vgl. ook nr. 8 van de noot van L. Strikwerda, NJ 2014/365, onder het reeds aangehaalde arrest van het HvJEU 16 januari 2014, C-45/13 (Kainz/Pantherwerke).
30.Zie o.a. HvJEU 3 oktober 2013, C-170/12, ECLI:EU:C:2013:635, NJ 2014/166, m.nt. L. Strikwerda (Peter Pinckney/Mediatech), rov. 18. Zie in het algemeen: R. Barents, EU-procesrecht, 2010, p. 395-397.
31.Zie HvJEG 4 maart 1982, zaak 133/81, ECLI:EU:C:1982:79, Jur. 1982, p. 825, NJ 1983/508, m.nt. J.C. Schultsz (Effer/Kantner).