Conclusie
kunukuhuisje [7] is gebouwd.
geenrecht te hebben op de verkoopsom.
In hun onderlinge verhouding is het (gepretendeerde) leveringsrecht van [verzoekster] ouder en dus sterker dan dat van [verweerder]. Het vonnis waarvan derdenverzet heeft dat (gepretendeerde) sterkere recht als zodanig niet aangetast. Ook overigens heeft bedoeld vonnis geen recht(en) van [verzoekster] aangetast. (...)”.
De tweede latere verkoop aan [verweerder] benadeelt [verzoekster] echter niet in haar recht. Haar recht blijft immers bestaan en is niet aangetast door de latere verkoop door [betrokkene 1] en het vonnis van 3 oktober 2005 maakt op dit beweerdelijke recht van [verzoekster] evenmin inbreuk en benadeelt [verzoekster] op geen enkele manier in haar recht. Dit betekent dat de vordering van [verzoekster] terecht is afgewezen door het GEA zodat het vonnis waarvan beroep bevestigd zal worden.” [15]
2.Bespreking van het cassatiemiddel
bestaandehuurrechten van [betrokkene 1] van het land heeft gehuurd/verkregen. Er is dus geen sprake van indeplaatsstelling. Volgens het Hof blijkt uit voornoemde overeenkomst en besluit eerder dat [verweerder] een
nieuw huurrechtheeft verkregen, waarbij is verondersteld dat het perceel niet was verhuurd. Dit doet volgens het Hof de vraag opkomen of de huurrechten uit 1976 van [betrokkene 1] in 2006 en nadien nog wel bestonden. Het heeft er naar het oordeel van het Hof alle schijn van dat het Land van mening was dat die rechten niet meer bestonden, omdat niet goed voorstelbaar is dat het Land dan nieuwe huurrechten aan [verweerder] zou toekennen. In zoverre heeft het Hof in dit tussenvonnis partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de vraag of de oude huurrechten van [betrokkene 1] nog bestonden in 2006-2007. Verder heeft het Hof van belang geacht kennis te nemen van de inhoud van de tussen [betrokkene 1] en het Land in 1976 gesloten huurovereenkomst en heeft het hof een descente gelast.
niet ter zake dienend, omdat die beweerdelijke tweede “overdracht” in de hiervoor uiteengezette redenering van het Hof geen rol speelt. Het Hof constateert – en dat staat vast in cassatie, omdat daar geen klacht tegen is gericht – dat eerst [betrokkene 1] grond huurde van het Land en na beëindiging daarvan opvolgend dezelfde grond is verhuurd door het Land aan [verweerder]. Van indeplaatsstelling in huurrechtelijke zin van [verweerder] in de plaats van [betrokkene 1] is daarbij geen sprake en van dubbele “overdracht” van een huurderspositie eerst aan [verzoekster] en later aan [verweerder] evenmin. [verweerder] is originair huurder. Dat dat juridisch ook niet kon, vanwege het onderhuurverbod en het ontbreken van het vereiste toestemmingsvereiste van het Land, maakt deze redenering van het Hof ook wel invoelbaar. De rest is in de ogen van het Hof zodoende “ruis”, ook de materie waarvan bewijs wordt aangeboden. De “afgeleide” weg die [verzoekster] hier wil bewandelen in reconventie met haar verklaring voor recht jegens [verweerder], is het Hof niet op gegaan. Daar heeft misschien een rol in gespeeld dat al in twee instanties in de derdenverzetprocedure over die kwestie ten nadele van [verzoekster] is geoordeeld (waartegen zij kennelijk geen cassatie heeft ingesteld). Althans is een cassatieklacht over het
passeren van het bewijsaanbod van [verzoekster] dat op iets anders betrekking had, in deze niet de aangewezen weg voor [verzoekster]. Ik werk dat als volgt nader uit.
in dit kadergedane bewijsaanbod (pleitnota p. 5 2e alinea
in fine):
met zijn transactie met [betrokkene 1] in 2000jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld, met als direct daaraan gekoppeld (gewenst) rechtsgevolg dat [verweerder]’s ontruimingsvordering dient te worden afgewezen. Het Hof baseert de toewijzing van die ontruiming evenwel op iets anders: niet dat rechtens houdbaar met [betrokkene 1] is gecontracteerd door [verweerder] in 2000 (waardoor [verweerder] en niet [verzoekster] middels indeplaatsstelling huurder is geworden van het perceel), maar op de grond dat sprake is van een beëindigde huurverhouding Land-[betrokkene 1] en een in tijd opvolgende (originaire) huurverhouding Land-[verweerder] en dat uit hoofde van die laatste titel [verweerder] [verzoekster] (die nooit huurster is geworden) niet langer op het gehuurde behoeft te dulden. Mogelijk wringt daar wel wat, maar doordat in cassatie alleen het passeren van
dìtbewijsaanbod wordt aangevallen, kan ik niet zien, hoe dit onderdeel tot cassatie moet leiden. In die zin is de ter zake relevante reconventionele vordering nauw verbonden met de ontruimingseis in conventie. Het mogelijk onrechtmatig handelen van [verweerder] jegens [verzoekster] in 2000 maakt in die omstandigheden dan volgens het Hof niet dat dit aan toewijzing van de ontruimingsvordering van [verweerder] in de weg staat. Ook in het kader van de door [verzoekster] zelf ingediende reconventionele vorderingen zie ik
in deze omstandighedenniet in waarom het Hof op het door [verzoekster] gedane bewijsaanbod had moeten ingaan. Het is in die zin niet ter zake dienend. Zeker als daarbij betrokken wordt dat ten aanzien van de gevorderde verklaring voor recht dat [verzoekster] een ouder recht zou hebben dan [verweerder], vaststaat dat het Hof die grondslag in rov. 2.14 heeft afgewezen, waartegen in cassatie niet wordt opgekomen.
in rechtstreeks verbandgebracht met de door haar gevorderde afstandsverklaring en moet dus niet als iets daarvan losstaand worden gezien. Ik versta [verzoekster]’s positie in hoger beroep aldus dat [verweerder] door met [betrokkene 1] te contracteren jegens [verzoekster] onrechtmatig heeft gehandeld en dat [verweerder] daarom gehouden is tot vergoeding van [verzoekster]’s schade in natura in de vorm van het afstand doen van de huurrechten op het perceel. Nu in cassatie vaststaat dat [verweerder] door het Hof als rechtmatige, nieuwe, originaire huurder wordt aangemerkt en [verzoekster] nooit huurster is geweest, zie ik niet in hoe de kwade trouw stelling van [verzoekster] zou kunnen leiden tot (afwijzing van de vordering van [verweerder] en) toewijzing van de door [verzoekster] gevorderde afstandsverklaring en de daarmee samenhangende verklaring voor recht dat [verweerder] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld. Ten aanzien van de door [verzoekster] tevens gevorderde verklaring voor recht dat [verzoekster] een ouder recht zou hebben dan [verweerder] heeft te gelden hetgeen ik hiervoor in 2.24 heb opgemerkt.