Conclusie
en
eerste middelklaagt dat het Hof in zaak A onder feit 1 primair (‘Vianen’) ten onrechte (steeds) heeft bewezenverklaard dat de medewerker van de Aldi is gedwongen tot de afgifte van geld en/of dat verzoeker of zijn mededader hun gelaat grotendeels hadden bedekt, en/of zij op klanten en medewerkers een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp hebben gericht, en/of zij hebben geschreeuwd “dit is een overval” en/of zij [betrokkene 1] met een vuurwapen op het hoofd hebben geslagen, nu deze omstandigheden uit ’s Hofs bewijsvoering niet kunnen worden afgeleid, zodat de bewezenverklaring op deze onderdelen onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.
Zaak A
“Het oordeel van het hof
Dat Vianen...Ik heb dat...Elke die ik heb gescand, was gewoon op een mooie tijdstip gekomen. Je weet toch? Of half 12...1 uur...half 2...kwart voor twee... Elke die ik tenminste, je weet toch...die ik heb gescand was gewoon gekomen.De verdachte [verdachte] zegt hierna: "
Maar ik ga nu naar links" (dossierpagina 60137). De verbalisant [verbalisant 3] heeft de stem van de verdachte en die van medeverdachte [medeverdachte 2] herkend (dossierpagina 60130-60131, 1e aanvulling). Gedurende een observatie op die dag werd de verdachte om 11.42 uur herkend als de bestuurder van de Volkswagen Caddy. De medeverdachte [medeverdachte 2] werd om 14.08 herkend als de passagier. Het hof acht deze stemherkenningen derhalve betrouwbaar, aangezien de stem die aan de verdachte wordt toegeschreven die van de bestuurder moet zijn (gelet op de bewoordingen "ik ga nu naar links") en de verdachte op vrijwel hetzelfde moment tijdens een observatie is herkend als de bestuurder van die Volkswagen Caddy (Observatie 06-015).
Oplegging van straf en beslissing op verzoeken
tweede middelbehelst de klacht dat het Hof ten onrechte voor de bewijsvoering van feit 1 primair in zaak A (‘Vianen’) heeft gebruikt en/of redengevende kracht heeft toegekend aan het resultaat van een vergelijkend DNA-onderzoek, waaruit blijkt dat een deel van het celmateriaal in de bemonstering afkomstig “kan” zijn van verzoeker, zulks terwijl een statistische berekening voor het vaststellen van de wetenschappelijke bewijswaarde van de gevonden match met het DNA-profiel van verzoeker niet is uitgevoerd.
wetenschappelijkebewijswaarde van de gevonden match met het DNA-profiel van verzoeker niet is kunnen worden uitgevoerd, en dat dit onverlet laat dat daaraan in samenhang met andere bewijsmiddelen wel een zekere juridische bewijswaarde valt toe te kennen, alsook dat kennelijk niet is gebleken of aannemelijkheid is geworden dat het celmateriaal op de tas van een familielid van verzoeker afkomstig was, welke mogelijkheid de raadsman van verzoeker ter ‘s Hofs terechtzitting nog even had geopperd.
derde middelheeft betrekking op het bewezenverklaarde feit 2 in zaak A (‘Soest’) en bevat de klacht dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door bewezen te verklaren dat verzoeker – kort gezegd – een bromfiets voorhanden heeft gehad in de periode van 1 februari 2010 tot en met 20 november 2010, terwijl verzoeker ten laste is gelegd het voorhanden hebben in de periode van 5 juli 2010 tot en met 5 september 2010.
vierde middelklaagt dat het Hof inzake feit 2 in zaak A (‘Soest’) niet heeft gerespondeerd op het namens verzoeker ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer dat sprake was van een vrijwillige terugtred.
vijfde middel, dat in drie klachten uiteenvalt, komt op tegen de bewezenverklaring en de kwalificatie in zaak B onder 3.
zesde middelklaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden, hetgeen tot strafvermindering zou moeten leiden.