“Over de inhoud van de verklaringen van [betrokkene 1] is minder te zeggen dan over de verklaring van [betrokkene 3]. [betrokkene 1] verklaart over een zeer beperkte periode en over een beperkt aantal handelingen. Ze verklaart bij de politie, in haar informatieve gesprek, 6 a 7 keer door mijn cliënt te zijn gemasseerd, waarbij 2 of 3 keer "iets meer" is gebeurd: cliënt zou richting borsten en billen hebben gemasseerd, waarbij hij een aantal keren "per ongeluk" zou zijn uitgeschoten richting haar kruis of billen.
Toch zitten er inhoudelijk gezien wel een rare elementen in de verklaring van [betrokkene 1]. Ik verwijs naar hetgeen door mij in eerste aanleg op dit punt is opgemerkt, verwoord in mijn pleitnota van 20 september 2011, p. 8 onderaan en pagina 9 ([betrokkene 1] vertelt eerst over start massage beneden, strookt niet met bezoekmomenten 's avonds laat als kinderen al lagen te slapen).
Bij [betrokkene 1] kan de beoordeling van de betrouwbaarheid van haar aangifte niet los gezien worden van het moment van onthulling: het moment dat ze van haar zusje hoort over hetgeen zij zou hebben meegemaakt met [verdachte]. Pas dan doet ze zelf aangifte. Dit terwijl ook aan [betrokkene 1] ten tijde van de aangifte van [betrokkene 5] expliciet is gevraagd of [verdachte] haar iets had aangedaan. Sterker nog: [betrokkene 1] is op haar 12e (de periode waarin de ongewenste aanrakingen van [verdachte] zouden hebben plaatsgevonden) naar de zedenpolitie geweest om te spreken over misbruik door haar biologische vader!
Toch komt [betrokkene 1] pas na de onthulling van [betrokkene 3] met haar verhaal naar buiten. Desgevraagd geeft ze bij de RC aan: "omdat zij in eerste instantie niet in de gaten had dat masseren ook onder aanranden viel.."
De kans is reëel dat ze bepaalde gebeurtenissen en gedragingen achteraf negatief is gaan inkleuren
Mijn vermoeden dat dit (achteraf anders interpreteren) het geval is wordt gevoed door het feit dat [betrokkene 1] haar latere reactie op die negatieve ervaringen met cliënt lijkt te overdrijven, of in ieder geval lijkt uit te vergroten.
[betrokkene 1] verklaart erover dat ze haar partner 's nachts in haar slaap zou hebben geslagen en zou hebben gezegd "blijf van mij af´'. Bij de RC gaat ze nader in op het "afweersysteem tegen [verdachte]" en vertelt ze dat ze dergelijke reacties had in 2004. Uit de stukken blijkt echter ook dat er een ander vriendje was, [betrokkene 4], met wie [betrokkene 1] direct na het "stoppen" van de ongewenste aanrakingen een relatie had. [betrokkene 4] is in het kader van de behandeling van de zaak in hoger beroep bij de RC gehoord. [betrokkene 4] verklaart dat [betrokkene 1] "toentertijd", dat wil zeggen ten tijde van zijn relatie met [betrokkene 1], vertelde over misbruik door haar biologische vader, niet over [verdachte]. Overigens merkt [betrokkene 4] nog op:
"Ik heb het verhaal over haar vader altijd met een korrel zout genomen omdat er veel verhalen de ronde deden in die familie. Het werd altijd groter gemaakt, achteraf bleek het niet zoveel voor te stellen".
[betrokkene 4] vertelt dat hij in die periode wel seksueel contact had met [betrokkene 1], maar dat hij daarbij niets heeft gemerkt van eventuele eerdere negatieve ervaringen. Dit terwijl hij "wist" van het eerdere misbruik door haar biologische vader. [betrokkene 4] verklaart dat hij destijds had gehoord over het misbruik door biologische vader in het verleden en dat hij het weekend voor het RC verhoor, in mei 2012 dus, pas heeft gehoord van [betrokkene 1] dat voor hun relatie als misbruik had plaatsgevonden door [verdachte] en dat dit ook zou hebben voortgeduurd in de periode dat zij een relatie hadden.
De verklaring van [betrokkene 4] is ook overigens relevant omdat hij een jaar verkering heeft gehad met [betrokkene 1], direct volgend op en zelfs tijdens de ten laste gelegde periode. [betrokkene 4] kwam dagelijks bij [betrokkene 1] thuis, [verdachte] kwam daar dan ook en was "alles" in die tijd. [betrokkene 4] heeft in de contacten tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 1] enerzijds en [verdachte] anderzijds nooit iets gezien wat zou kunnen wijzen op misbruik. Deze informatie, ook over de wilde verhalen die binnen de familie de ronde deden, is van belang voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] (en ook die van [betrokkene 3]). Net zoals dat de eigen achtergrond en problematiek van [betrokkene 1] van belang is. [betrokkene 1] verklaart zelf bij de politie dat er gesproken is over "borderline-problematiek", overigens een diagnose die ook bij haar moeder is gesteld, zo verklaart [betrokkene 6] zelf bij de RC. Eerder gaf ik al aan dat juist deze problematiek een risico oplevert voor een onjuiste beschuldiging. Daarnaast is nog relevant dat [betrokkene 1] in het verleden heeft verklaard over herinneringen van seksueel misbruik tussen haar eerste en derde levensjaar. Dergelijke herinneringen zijn volgens de geldende Aanwijzing al voldoende om verplicht de LEBZ te consulteren.
Ik handhaaf dan ook nadrukkelijk het standpunt dat zowel de verklaring van [betrokkene 3] als die van [betrokkene 1] onvoldoende betrouwbaar zijn om een veroordeling op te baseren. En het is absoluut noodzakelijk dat de betrouwbaarheid kan worden getoetst nu ook [betrokkene 1] verklaart over een gebeurtenis waarvan niemand ooit getuige is geweest en die door de andere direct betrokkene, mijn cliënt, nadrukkelijk wordt ontkend. De verklaring van [betrokkene 1] biedt absoluut niet genoeg basis voor een bewezenverklaring. En is niet uitvoerig en consistent, zoals de rechtbank heeft overwogen, en evenmin authentiek en oprecht.”