Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel Ivalt uiteen in vijf klachten (A t/m E).
Onder Akeert het middel zich tegen rov. 5.3 waarin het hof overweegt dat de vader in appel geen belang meer heeft bij de in eerste aanleg onder I, II en III ingestelde vorderingen omdat deze zijn achterhaald. De klacht voert aan dat deze overweging onbegrijpelijk is en dat het hof geen inzicht in zijn gedachtegang heeft gegeven. De klacht, die mij niet geheel duidelijk is geworden, kan hoe dan ook niet tot cassatie leiden omdat de in eerste aanleg onder I, II en III ingestelde vorderingen betrekking hebben op omgang van de vader met de kinderen tijdens de kerstvakantie 2012 in de VS dan wel in Nederland. Daar de vader op grond van het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Assen van 17 december 2012 de kinderen in de kerstvakantie 2012 in Nederland driemaal heeft gezien (zie ook rov. 3.11 van het bestreden arrest), heeft het hof terecht geoordeeld dat de vader geen belang meer heeft bij de onder I, II en III ingestelde vorderingen. Voor zover het middel nog betoogt dat het hof de vader, bij gebrek aan belang, niet-ontvankelijk had moeten verklaren en niet kon volstaan met afwijzing van de vorderingen, gaat het middel eraan voorbij dat onder afwijzing zowel niet-ontvankelijkheid als ontzegging van een vordering is te verstaan. [7]
onder Bmet betrekking tot ’s hofs overweging dat ‘[de vader] de in het bestreden vonnis opgelegde dwangsom niet heeft geëffectueerd’ (rov. 5.3) bevat geen klacht.
onder Cvoert aan dat het hof buiten de rechtsstrijd getreden is door aansluiting te zoeken bij de in de beslissing van het District Court van 29 juni 2012 opgenomen omgangsregeling die partijen destijds zijn overeengekomen terwijl deze omgangsregeling volgens het middel als achterhaald moet worden aangemerkt mede gelet op de nadere beslissing van het District Court van 18 oktober 2012 waarmee de beslissing van 29 juni 2012 ook wat betreft de omgangsregeling is vervangen. De klacht faalt, omdat (i) de moeder blijkens rov. 5.12 van het bestreden arrest gemotiveerd naar voren heeft gebracht dat zij de beslissing van het District Court van 18 oktober 2012 ‘heeft aangevochten’, (ii) het hof de in de beslissing van het District Court van 29 juni 2012 opgenomen omgangsregeling niet één op één heeft overgenomen maar daaraan blijkens rov. 5.8 [8] de in rov. 5.9 e.v. vermelde wijzigingen heeft aangebracht, en ten slotte (iii) de vader aan zijn vordering de in de beslissing van het District Court van 29 juni 2012 opgenomen omgangsregeling ten grondslag heeft gelegd en de moeder geen wijziging van die omgangsregeling heeft verzocht (vgl. rov. 5.6). Het hof heeft, oordelend in kort geding, voor de te treffen omgangsregeling aansluiting kunnen zoeken bij de door partijen overeengekomen omgangsregeling.
onder D en Ebouwen op het voorgaande voort en kunnen niet tot cassatie leiden.