ECLI:NL:RBDHA:2013:CA2627
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheidskwestie en gezagsgeschil in internationale kinderontvoeringszaak met verblijf in Nederland en VS
In deze internationale kinderontvoeringszaak heeft de vader, na het verkrijgen van omgangsrechten via een vaststellingsovereenkomst, de kinderen niet teruggebracht naar de moeder in Nederland maar is met hen naar de Verenigde Staten vertrokken. De rechtbank stelt vast dat de moeder sinds 29 juni 2012 het eenhoofdig gezag over de minderjarigen uitoefent en dat de overbrenging naar Nederland op 4 maart 2012 niet ongeoorloofd was. De beslissing van 18 oktober 2012 waarbij het gezag aan de vader werd toegekend, wordt door de rechtbank niet erkend vanwege procedurele bezwaren en het ontbreken van rechtsmacht. De vader heeft het teruggeleidingsverzoek ingetrokken omdat hij geen belang meer heeft door zijn verblijf met de kinderen in de VS.
De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van ongeoorloofde vasthouding door de moeder sinds 18 oktober 2012. De moeder heeft een procedure lopen in de VS om de beslissing van 18 oktober 2012 te vernietigen. De rechtbank verwijst de zaak naar de rechtbank Noord-Nederland omdat de minderjarigen in Nederland wonen en de rechtbank Den Haag niet bevoegd is. De omgangsregeling en gezagskwesties blijven onderwerp van procedure elders.
De zaak illustreert de complexiteit van internationale gezags- en omgangsrechtelijke geschillen waarbij verschillende jurisdicties en gezagsbeslissingen elkaar overlappen en het Haagse Kinderontvoeringsverdrag een rol speelt.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak naar de rechtbank Noord-Nederland.