Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten
3.Het geding in feitelijke instanties
4.Het geding in cassatie
5.De fiscale eenheid in de btw-richtlijn
nietwie bedoeld zijn met de ‘personen’ die samen een fiscale eenheid kunnen vormen – meer specifiek of dat ondernemers moeten zijn, terwijl de toelichting evenmin iets verduidelijkt over de invulling van de nauwe verbondenheden.
„personen” en niet de uitdrukking „belastingplichtige personen” wordt gebruikt, maakt dit artikel geen onderscheid tussen belastingplichtige en niet-belastingplichtige personen.
blijkt niet dat het bij de vaststelling van de Zesde richtlijn en vervolgens van de btw-richtlijn de bedoeling van de Uniewetgever was om uit te sluiten dat niet-belastingplichtige personen lid van een btw-groep kunnen worden(…). Het feit dat in andere bepalingen van de btw-richtlijn, die niet tot titel III in verband met het begrip „belastingplichtige” behoren, het woord „personen” wordt gebruikt tot aanduiding van belastingplichtige personen, kan geen andere vaststelling wettigen, daar dit woord in een andere context dan die van artikel 11 van Pro de btw-richtlijn wordt gebruikt.
kan uit de algemene systematiek van titel III van de btw-richtlijn niet worden afgeleid dat een persoon die niet aan deze algemene definitie beantwoordt, noodzakelijkerwijs uitgesloten is van de in artikel 11 ervan Pro bedoelde categorie van personen.
basis van een gezamenlijke lezing van deze artikelen niet kan worden geconcludeerd, (…) dat de in artikel 11 bedoelde Pro personen individueel moeten beantwoorden aan de algemene definitie van „belastingplichtige” van artikel 9, lid 1, ervan. Wanneer deze twee bepalingen tegenover elkaar worden geplaatst, sluit dit immers niet uit dat, (…) deze personen, die financieel, economisch en organisatorisch nauw met elkaar verbonden zijn, tezamen als groep moeten beantwoorden aan deze definitie.
omwille van een administratieve vereenvoudiging, hetzij ter vermijding van bepaalde misbruiken, bijvoorbeeld de splitsing van een onderneming in verscheidene belastingplichtigen teneinde een bijzondere regeling te kunnen genieten.
Deze doelstellingen blijken evenwel geen gevaar te lopen door de mogelijkheid voor de lidstaten om een groep personen met één of meerdere personen die niet individueel de hoedanigheid van belastingplichtige kunnen hebben, aan te merken als één belastingplichtige. Integendeel, het valt niet uit te sluiten, (…) dat wanneer dergelijke personen lid van een btw-groep zijn, dit zowel voor deze btw-groep als voor de belastingdienst administratieve vereenvoudiging in de hand werkt en het mogelijk maakt bepaalde vormen van misbruik te voorkomen, en zelfs daartoe onontbeerlijk kan blijken te zijn ingeval alleen de opname van niet-belastingplichtigen in een btw-groep de nauwe verbondenheid creëert die financieel, economisch en organisatorisch tussen de leden van deze groep moet bestaan om als één belastingplichtige te worden aangemerkt.
Volgens de bewoordingen van dit artikel gelden voor de toepassing ervan geen andere voorwaarden(…).
Evenmin voorziet dit artikel in de mogelijkheid voor de lidstaten om ondernemingen andere voorwaarden voor de vorming van een btw-groep op te leggen, zoals de uitoefening van een bepaalde activiteit of van activiteiten in een bepaalde bedrijfssector.
Het staat de lidstaten dus onder dit voorbehoud vrij de toepassing van de regeling van dat artikel 11 te Pro beperken om belastingfraude en -ontwijking tegen te gaan.
dat het facultatieve karakter van een maatregel niet betekent dat de lidstaat de werkingssfeer ervan kan beperken op een wijze die in de betreffende bepaling van Unierecht niet is voorzien.”
6.De fiscale eenheid in de Wet
ondernemer zijn(…) en die in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig zijn verweven, dat zij een eenheid vormen, worden (…) als één ondernemer aangemerkt (…)”
die op grond van het bepaalde in dit artikel ondernemer zijn’ is aan artikel 7, lid 4 toegevoegd bij de Wet van 18 december 1995. [19] Voordien luidde artikel 7, lid 4 – voor zover van belang:
Ondernemers(…) die in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig zijn verweven…..” [20]
verruimingbedoeld was. Vóór de wetswijziging konden diegenen die (alleen) op grond van artikel 7, lid 2, onderdeel b, van de Wet ondernemer waren [21] – ook wel aangeduid als ‘quasi-ondernemers’ of ‘7-2-b-ondernemers’ – namelijk op grond van staande jurisprudentie geen deel uitmaken van een fiscale eenheid. De wetswijziging beoogde daaraan, overigens mede met het oog op misbruikbestrijding, een eind te maken en de vorming van een fiscale eenheid voor álle ondernemers mogelijk te maken (cursivering MvH): [22]
Een van de gevolgen van het arrest is dat de mogelijkheden om bij constructies tussen gelieerde partijen in voorkomend geval een fiscale eenheid te stellen, met als gevolg een buiten de heffing blijven van de onderlinge prestaties, voor een groot deel zijn vervallen. Dit is onder meer gebleken bij de bestrijding van (…) vermelde constructies met betrekking tot de optieregeling voor belaste verhuur van onroerende zaken. Gaat het bij deze constructies om gelieerde partijen, dan is de verhuurder niet zelden een ondernemer in de zin van artikel 7, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de wet. Er is echter geen reden om voor het toepassingsbereik van de fiscale eenheid in de omzetbelasting onderscheid te maken naar gelang het type ondernemer, in die zin dat het ene type ondernemer wel en het andere type ondernemer niet deel kan uitmaken van zo’n eenheid. Ook de richtlijn gaat niet uit van een dergelijke onderscheid.
Uit dat gezichtspunt is de opvatting dat een fiscale eenheid niet zou zien op 7(2)b-ondernemers dan ook te beperkt. Op grond van het vorenstaande is er reden de 7(2)b-ondernemer, naar ik meen mede conform hetgeen de wetgever indertijd voor ogen heeft gestaan, deel te kunnen laten uitmaken van een fiscale eenheid.(…)”
elkepersoon, ondernemer of niet, deel moet kunnen uitmaken van een fiscale eenheid.
bedoeld leerstuk slechts toepassing gevonden met betrekking tot natuurlijke personen en lichamen die, indien zij niet tot een fiscale eenheid zouden behoren, zelf als ondernemer zouden zijn aan te merken,zodat degene die uitsluitend bij wijze van vermogensbeheer een zaak verhuurde te dier zake niet te zamen met een of meer andere personen of lichamen als een ondernemer werd beschouwd. Zulks gold mede voor de toepassing van de Wet zoals deze tot 1 januari 1979 heeft gegolden.(…).”
geen inhoudelijke wijzigingen aangebracht in de nationale regeling, maar heeft zij deze alleen verduidelijkt(…)”
Immers, natuurlijke personen of lichamen die zelf met hun activiteiten niet in het economisch verkeer optreden kunnen nimmer in economisch opzicht zodanig met andere natuurlijke personen of lichamen verweven zijn dat zij daarmee een eenheid vormen.(…)
onderscheiden van een individuele aandeelhouderdat een strikt vasthouden aan de hiervoor geschetste BTW-consequenties in strijd komt met doel en strekking van de BTW en derhalve ongewenst is. Deze situatie doet zich voor bij een tot een concern behorende houdstermaatschappij die binnen dat concern
een sturende en beleidsbepalende functie vervultten dienste van de binnen het concern opererende werkmaatschappijen. (…).
vervult die, ook wel als ‘topholding’ aangeduide, houdstermaatschappij een wezenlijke economische functie binnen concernverband.In dat geval kan het houden van aandelen in feite worden aangemerkt als een middel om in concernverband te komen tot de uitoefening van zeggenschap over en het dragen van verantwoordelijkheid voor de daadwerkelijke ondernemersactiviteiten van de gelieerde werkmaatschappijen en dus niet meer enkel als beleggingsdoel.
– zij het dat ook hier een zelfstandige belastingplicht ontbreekt– desgevraagd op te nemen in de, in Nederland gevestigde, fiscale eenheid. Vanwege de nauwe samenhang die de handelingen van deze houdstermaatschappij vertonen met de ondernemersactiviteiten van de werkmaatschappijen kan in zo’n geval immers van een nauwe economische verwevenheid met de werkmaatschappijen worden gesproken. (…)”
niet verwaarloosbare economische betrekkingenbestaan, zoals in dit geval de verhuur van bedrijfsruimte door BV II aan belanghebbende en BV I en de levering van (…) goederendoor belanghebbende aan BV I en BV II is – evenals in de in onderdeel 4.5 van het (….) arrest van de Hoge Raad [MvH: HR BNB 1989/112] bedoelde gevallen – sprake van nauwe verbondenheid in economisch opzicht in de zin van de hiervoor vermelde bepalingen. Daaraan doet niet af dat de vennootschappen (in dit geval zowel BV I en BV II als belanghebbende) in meer of minder belangrijke mate goederen leveren aan of diensten verrichten jegens derden. (…)”
nietmogelijk zou blijken. Dat het HvJ het mogelijk acht dat een niet-ondernemer economisch nauw verweven is met een of meer ondernemers, volgt ook wel uit overweging 48 van het arrest Commissie/Ierland, dat ik in punt 5.7.3 reeds aanhaalde en dat ik hier voor de leesbaarheid herhaal (en cursiveer):
dat wanneer dergelijke personen lid van een btw-groep zijn, dit zowel voor deze btw-groep als voor de belastingdienst administratieve vereenvoudiging in de hand werkt en het mogelijk maakt bepaalde vormen van misbruik te voorkomen, en zelfs daartoe onontbeerlijk kan blijken te zijn ingeval alleen de opname van niet-belastingplichtigen in een btw-groep de nauwe verbondenheid creëert die financieel, economisch en organisatorisch tussen de leden van deze groep moet bestaanom als één belastingplichtige te worden aangemerkt.”