Conclusie
1.Inleiding
13/00525) betreft een groep opstalhouders [1] wier rechten destijds zijn gevestigd onder toepasselijkverklaring van de AV70 en inmiddels zijn geëxpireerd; zij vorderen medewerking aan verlenging van hun rechten tegen een op grond van de berekeningsmethode uit de AV70 bepaalde retributie.
13/00523 ([A] c.s./Hoogheemraadschap)ziet eveneens op een groep opstalhouders wier rechten zijn uitgegeven onder toepasselijkheid van de AV70. Zij verlangen dat hun rechten, die thans nog lopen, tezijnertijd zullen worden verlengd/heruitgegeven onder toepasselijkverklaring van de AV2000.
13/00529 (SBOH c.s./Hoogheemraadschap)ten slotte, draait in de kern om de vraag of het Hoogheemraadschap jegens al zijn zittende opstalhouders gerechtigd is bij verlenging/heruitgifte de AV2007 en het nieuwe retributiebeleid toe te passen.
2.Feiten en procesverloop
grieven 1 t/m 7 en 13klagen over de uitleg die de rechtbank heeft gegeven (in rov. 6.3 t/m 6.5) aan de AV70 en het terzake geldende recht. De
grieven 8 t/m 12keren zich tegen het oordeel van de rechtbank (in rov. 6.7 t/m 6.17) over de nieuwe retributiesystematiek. [12]
3.Beoordeling van het cassatieberoep
verlengingop de voet van art. 16 AV70 de op dat moment
laatstelijk vastgestelderetributiebepalingen van toepassing zijn, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting aangaande het begrip ‘verlenging’. Het hof zou hebben miskend dat het begrip ‘verlenging’ een begrip is dat in het kader van de wettelijke regeling van erfpacht en opstal een vastomlijnde juridische betekenis heeft die er op neer komt dat een erfpachtrecht of opstalrecht na het verstrijken van de tijd waarvoor het is gevestigd, blijft doorlopen onder
dezelfdevoorwaarden en tegen
dezelfde(methode van berekening van de) canon of retributie als tijdens de oorspronkelijke duur van dat erfpacht- of opstalrecht gold. Daarbij wordt verwezen naar art. 5:104 lid 2 jo Pro 5:98 lid 1 BW.
herzieningvan bepalingen van de overeenkomst, in het bijzonder ten aanzien van de canon, mogelijk te maken.” [22]
voorwaarden waaronderzulks zal geschieden grotendeels dan wel geheel vaststaan. [23] Een andere vraag is of de verlenging onder gewijzigde voorwaarden goederenrechtelijk resulteert in de continuering van een bestaand recht, dan wel de totstandkoming van een nieuw recht. Dit is vooral van belang met het oog op de vereiste (vestigings)formaliteiten [24] en de positie van derden, zoals de houder van een hypotheek op het verlengde recht. Het antwoord op die vraag wordt vaak – maar niet altijd – afhankelijk gesteld van de ingrijpendheid van de wijziging. [25]
op verlenging de laatstelijk vastgestelde retributiebepalingen van toepassing zijn(rov. 8) – en (b) zijn overweging dat het Hoogheemraadschap
gebruik heeft gemaaktvan de onder de AV70 bestaande mogelijkheden (rov. 13) in strijd met art. 149 lid 1 Rv Pro buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden. Daartoe wordt aangevoerd dat tussen partijen vast staat dat (i) het nieuwe retributiebeleid niet heeft te gelden als nader besluit in de zin van art. 3 AV70 [26] , (ii) de eerdere besluiten in de zin van art. 3 AV70 (derhalve) niet zijn vervangen, en (iii) de in laatstgenoemde besluiten vervatte retributiesystematiek door het Hoogheemraadschap nog steeds wordt gehanteerd bij de tienjaarlijkse herziening op grond van art. 4 AV70. Nu art. 4 (periodieke herziening) en art. 16 (verlenging) naar hetzelfde art. 3 verwijzen Pro, had het hof tot het oordeel behoren te komen dat in geval van verlenging de retributie moet worden bepaald met inachtneming van het laatstelijk vastgestelde nader besluit in de zin van art. 3 AV70. Althans is in het licht van de vaststaande feiten (i) t/m (iii) ’s hofs oordeel in rov. 8 onbegrijpelijk, aldus [eiser] c.s.
bedoelingheeft gehad met het nieuwe retributiebeleid invulling te geven aan art. 3 AV70: het Hoogheemraadschap zou zich ten tijde van het opstellen van het nieuwe beleid op het standpunt hebben gesteld überhaupt niet contractueel gebonden te zijn, en niet zou zijn gesteld of gebleken dat in de nieuwe besluiten is aangegeven dat deze dienen ter wijziging van de laatste formele besluiten ex art. 3 AV70. [28] [29]
verlengingenen heruitgiften vast te stellen (rov. 1.4), dat de nieuwe Vergoedingentabel aan de
houdersvan een opstalrecht is
toegezonden(rov. 1.4), dat het Hoogheemraadschap in 2007 een nieuw besluit heeft genomen over de te hanteren systematiek bij de (her)uitgifte en
verlengingenvan opstalrechten (rov. 1.5) en dat in dat besluit een
overgangsperiodeis opgenomen (rov. 1.5), in al welke vaststellingen besloten ligt dat de nieuwe besluiten naar de bedoeling van het Hoogheemraadschap mede bestemd waren te gelden voor alle reeds zittende opstalhouders. Tegen deze achtergrond heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat, wat de zittende opstalhouders onder de AV70 betreft, de nieuwe besluiten moeten worden aangemerkt als nadere besluiten in de zin van art. 3 AV70, ook al zou dit niet met zoveel woorden in de nieuwe besluiten tot uitdrukking zijn gebracht.
jvan de indicatieve lijst bij Richtlijn 93/13/EEG, PbEG L 95/29.
j: het beding dat tot doel heeft de verkoper te machtigen zonder geldige, in de overeenkomst vermelde reden eenzijdig de voorwaarden van de overeenkomst te wijzigen. De vermelding van dit beding op de ‘indicatieve en niet uitputtende lijst van bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt’ (art. 3 lid 3 Richtlijn Pro) brengt voor de rechter op zichzelf niet mee dat het beding geacht of vermoed moet worden onredelijk bezwarend te zijn. [34]
geldendecontractsvoorwaarden gedurende de looptijd van de overeenkomst. Het enkele art. 3 AV70, opgevat in de zin dat het Hoogheemraadschap bij zijn besluiten tot nadere vaststelling van de bij uitgifte van opstalrechten in acht te nemen maximumtarieven mag uitgaan van een andere retributiemethodiek dan aan eerdere besluiten ten grondslag is gelegd, bewerkstelligt een dergelijk gevolg niet. Reeds daarom kan art. 3 AV Pro niet worden opgevat als beding in de zin van genoemde bepalingen.
jvan de indicatieve lijst niet kan slagen.
jvan de indicatieve lijst staat dan ook niet op de grijze of de zwarte lijst. [36]
kvan de indicatieve lijst, dat ziet op bedingen waarbij de verkoper wordt gemachtigd zonder geldige reden eenzijdig de kenmerken van het te leveren product of te verrichten dienst te wijzigen. Dit onderdeel klinkt door in art. 6:237, aanhef en sub c BW. Deze bepaling ziet op eenzijdige wijziging van de prestatie van de
gebruiker: levering van een andere of kwalitatief mindere zaak dan was overeengekomen, wijziging van het reisdoel of wijziging van verzekeringsdekking. De ratio van deze bepaling is dat de wederpartij als gevolg van het beding moet betalen voor een mindere of andere prestatie dan toegezegd. [37] De retributieverplichting van de opstalhouder is echter geen prestatie van de gebruiker.