ECLI:NL:PHR:2014:191

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 januari 2014
Publicatiedatum
21 maart 2014
Zaaknummer
13/05464
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 350 lid 2 sub c FwArt. 350 lid 3 sub d Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussentijdse beëindiging van wettelijke schuldsaneringsregeling wegens niet-nakoming verplichtingen en ontstaan bovenmatige schulden

Op 14 december 2010 werd de wettelijke schuldsaneringsregeling van verzoekster van toepassing verklaard. De bewindvoerder verzocht tussentijdse beëindiging van de regeling wegens niet-nakoming van verplichtingen en het ontstaan van bovenmatige schulden. De rechtbank wees het eerste verzoek af en verlengde de regeling met 12 maanden om verzoekster een laatste kans te geven met hulp van Humanitas.

Na een nieuw verzoek tot tussentijdse beëindiging in april 2013, wees de rechtbank dit toe en het hof bekrachtigde dit bij arrest van 29 oktober 2013. Het hof oordeelde dat verzoekster haar informatieplicht niet naar behoren nakwam en nieuwe huurschulden had laten ontstaan terwijl zij al bijzondere bijstand had ontvangen voor een eerdere schuld.

Verzoekster stelde in cassatie dat het hof onjuiste rechtsopvattingen hanteerde en onvoldoende motiveerde, met name over de informatieplicht en de hoogte van de nieuwe schulden. De Hoge Raad verwierp deze klachten en concludeerde dat het hof voldoende aannemelijk had gemaakt dat verzoekster haar verplichtingen niet nakwam en dat tussentijdse beëindiging gerechtvaardigd was.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieverzoek niet-ontvankelijk op grond van art. 80a lid 1 RO, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.

Uitkomst: Het cassatieverzoek werd niet-ontvankelijk verklaard, waardoor het tussentijds beëindigen van de schuldsaneringsregeling werd bevestigd.

Conclusie

13/05464
Mr. L. Timmerman
Zitting 31 januari 2014
Conclusie inzake:
[verzoekster],
verzoekster tot cassatie,
(hierna: [verzoekster])
1. Op 14 december 2010 is de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoekster] van toepassing verklaard. De bewindvoerder heeft de rechtbank verzocht de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen op 2 januari 2012. Bij vonnis van 28 februari 2012 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen en de duur van de schuldsaneringsregeling met 12 maanden verlengd, om [verzoekster] een laatste kans te bieden met hulp van vrijwilligersorganisatie Humanitas (alsnog) aan de op haar rustende verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling te voldoen en aldus een en ander tot een goed einde te brengen. Op 16 april 2013 heeft de bewindvoerder een nieuw verzoek tot tussentijdse beëindiging ingediend omdat [verzoekster] één of meer van haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zou nakomen en bovenmatige schulden zou hebben doen of laten ontstaan (art. 350 lid 2 sub c en Pro d Fw). De rechtbank Noord-Holland heeft het verzoek bij vonnis van 6 augustus 2013 toegewezen, welk vonnis in het door [verzoekster] ingestelde hoger beroep bij arrest van 29 oktober 2013 is bekrachtigd. Daartoe overwoog het hof, voor zover thans van belang, het volgende:
“2.3 Het hof is van oordeel dat mede gelet op de ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep gebleken feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk is geworden dat [verzoekster] haar uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieplicht niet naar behoren is nagekomen. Het verweer van [verzoekster] dat haar geen verwijt kan worden gemaakt van de schending van haar inlichtingenverplichtingen omdat de bewindvoerder haar daarop niet heeft aangesproken of aangeschreven, wordt door het hof verworpen. [verzoekster] is blijkens de stukken meermalen door de bewindvoerder op deze voor de schuldsanering essentiële verplichting gewezen en bovendien heeft de rechtbank [verzoekster] op 28 februari 2012 in dit verband een laatste kans gegeven. Dat [verzoekster] problemen heeft met het ontvangen van haar post, zoals zij heeft gesteld, komt voor haar rekening. Temeer daar zij al lange tijd met dat probleem bekend is had het op haar weg gelegen om de bewindvoerder - al dan niet met de door haar ingeschakelde hulp van Humanitas - actief van de benodigde informatie te voorzien. [verzoekster] draagt immers zelf de verantwoordelijkheid voor het welslagen van de op haar van toepassing zijnde schuldsaneringsregeling. Ook de door haar gestelde persoonlijke problemen zijn onvoldoende om aan te nemen dat [verzoekster] niet verwijtbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar (informatie)verplichtingen. De overgelegde verklaringen van haar psychotherapeut J. Jansen zijn daartoe onvoldoende en zeggen alleen al gezien de data waarop deze zijn afgegeven niets over haar huidige gezondheidstoestand. Daarnaast kan [verzoekster] er een verwijt van worden gemaakt dat thans, nadat haar door de Gemeente Haarlemmermeer op 19 december 2012 bijzondere bijstand is toegekend ter delving van een eerdere huurschuld van € 3.629,51, (wederom) een huurschuld is ontstaan waarvan ter zitting van het hof niet aannemelijk is geworden dat zij die gedurende de looptijd van de schuldsanering zal kunnen aflossen.
Naar het oordeel van het hof levert het voorgaande voldoende grond op om de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoekster] tussentijds te beëindigen. Daarbij acht het hof van belang dat [verzoekster] ondanks de haar geboden kansen niet in staat is gebleken zich te houden aan de uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.”
2 Het cassatieverzoekschrift bevat twee middelen.
Middel 1verwijt het hof te zijn uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de in art. 350 lid 2 aanhef Pro en onder c Fw neergelegde informatieverplichting en anders zijn oordeel ontoereikend te hebben gemotiveerd, kort gezegd omdat:
(i) een tekortkoming bij het terugsturen van een maandelijks inlichtingenformulier niet een op zichzelf staande grond voor tussentijdse beëindiging is;
(ii) uit de motivering van de uitspraak moet blijken op welke wijze de behoorlijke uitvoering van de schuldsaneringsregeling is geschaad;
(iii) het inlichtingenformulier geen juiste invulling geeft aan de informatieplicht aangezien van de schuldenaar ook ‘spontaan’ gedane inlichtingen worden verwacht; en
(iv) de informatieplicht niet zo ver gaat dat de schuldenaar ervoor moet zorgen dat de verzonden post daadwerkelijk de bewindvoerder bereikt.
3 Klachten (i), (iii) en (iv) missen feitelijke grondslag voor zover zij aannemen dat de overweging dat [verzoekster] haar uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieplicht niet naar behoren is nagekomen, louter is gebaseerd op het niet terugsturen van een maandelijks inlichtingenformulier althans op het niet ervoor zorgen dat het formulier de bewindvoerder daadwerkelijk bereikt. In werkelijkheid heeft het gerechtshof [verzoekster] verweten te hebben nagelaten de bewindvoerder actief van de benodigde informatie te voorzien, waarbij in aanmerking is genomen dat [verzoekster] er al lange tijd mee bekend was dat zij problemen ondervond met het ontvangen van haar post, zij meermalen door de bewindvoerder op deze verplichting is gewezen en de rechtbank [verzoekster] in dit verband ook een laatste kans heeft gegeven. Klacht (ii) veronderstelt ten onrechte dat tussentijdse beëindiging alleen mogelijk is indien de behoorlijke uitvoering van de schuldsaneringsregeling is geschaad. Een dergelijke afzonderlijk vereiste lees ik niet in art. 350 lid 2 aanhef Pro en onder c Fw. Veeleer geldt dat indien aan één of meer van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren wordt nagekomen, dit gegeven reeds een grond vormt voor tussentijdse beëindiging. Het middel faalt.
4
Middel 2klaagt tegen de overweging van het hof dat [verzoekster] bovenmatige schulden doet of laat ontstaan (art. 350 lid 3 aanhef Pro en onder d Fw). Volgens het middel schiet de motivering daarvan tekort omdat daarin niet te lezen is welk bedrag met de door het hof bedoelde nieuwe huurschuld gemoeid zou zijn en welke middelen de verzoekster gedurende de looptijd van de schuldsanering ter beschikking staan om deze nieuwe huurschuld af te lossen. Het middel stuit af op een gebrek aan belang, nu de door het hof vastgestelde (en tevergeefs door middel 1 bestreden) niet of ondeugdelijke nakoming van de informatieverplichtingen reeds voldoende grondslag voor de tussentijdse beëindiging biedt. Maar ook anders, gelezen als een klacht over de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof over het bovenmatige karakter van de schuld omdat de hoogte ervan niet uit het arrest blijkt, kan middel 2 niet tot cassatie leiden. Art. 350 lid 3 aanhef Pro en onder d Fw bepaalt dat tussentijdse beëindiging geschiedt wanneer de schuldenaar bovenmatige schulden doet of laat ontstaan. Ter bepaling van het bovenmatige karakter van een schuld dient de hoogte daarvan te worden vergeleken met het vrij besteedbare inkomen van de schuldenaar (HR 14 mei 2004, NJ 2004/620, ECLI:NL:HR:2004:AO7003), waarbij een zekere verwijtbaarheid vereist is (vgl. de conclusie van AG Keus vóór HR 24 december 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AR4046). Het hof heeft overwogen dat ter zitting niet aannemelijk is geworden dat [verzoekster] de huurschuld gedurende de looptijd van de schuldsanering zal kunnen aflossen. Uit het proces-verbaal van de zitting van 22 oktober 2013 blijkt dat de stelling van [verzoekster], dat over de hoogte van de huurschuld nog een procedure liep, door de bewindvoerder is betwist. Volgens de bewindvoerder is in de betreffende procedure op 17 oktober 2013 vonnis gewezen, waarbij de vordering vermeerderd met proceskosten ten bedrage van € 2.177,00 zou zijn toegewezen. Voorts is naar voren gekomen dat [verzoekster] een WWB-uitkering ontvangt. M.i. is hiermee voldoende begrijpelijk dat de verwijtbaarheid in dit geval vooral gelegen is in het gegeven dat [verzoekster] een (nieuwe) huurschuld heeft laten ontstaan terwijl zij eerder al bijzonder bijstand had gekregen om een eerdere huurschuld van € 3.629,51 te voldoen. Ik acht het arrest hiermee van een toereikende motivering voorzien.
5 Ik concludeer tot niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 80a lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G