Conclusie
Middel 1verwijt het hof te zijn uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de in art. 350 lid 2 aanhef Pro en onder c Fw neergelegde informatieverplichting en anders zijn oordeel ontoereikend te hebben gemotiveerd, kort gezegd omdat:
Middel 2klaagt tegen de overweging van het hof dat [verzoekster] bovenmatige schulden doet of laat ontstaan (art. 350 lid 3 aanhef Pro en onder d Fw). Volgens het middel schiet de motivering daarvan tekort omdat daarin niet te lezen is welk bedrag met de door het hof bedoelde nieuwe huurschuld gemoeid zou zijn en welke middelen de verzoekster gedurende de looptijd van de schuldsanering ter beschikking staan om deze nieuwe huurschuld af te lossen. Het middel stuit af op een gebrek aan belang, nu de door het hof vastgestelde (en tevergeefs door middel 1 bestreden) niet of ondeugdelijke nakoming van de informatieverplichtingen reeds voldoende grondslag voor de tussentijdse beëindiging biedt. Maar ook anders, gelezen als een klacht over de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof over het bovenmatige karakter van de schuld omdat de hoogte ervan niet uit het arrest blijkt, kan middel 2 niet tot cassatie leiden. Art. 350 lid 3 aanhef Pro en onder d Fw bepaalt dat tussentijdse beëindiging geschiedt wanneer de schuldenaar bovenmatige schulden doet of laat ontstaan. Ter bepaling van het bovenmatige karakter van een schuld dient de hoogte daarvan te worden vergeleken met het vrij besteedbare inkomen van de schuldenaar (HR 14 mei 2004, NJ 2004/620, ECLI:NL:HR:2004:AO7003), waarbij een zekere verwijtbaarheid vereist is (vgl. de conclusie van AG Keus vóór HR 24 december 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AR4046). Het hof heeft overwogen dat ter zitting niet aannemelijk is geworden dat [verzoekster] de huurschuld gedurende de looptijd van de schuldsanering zal kunnen aflossen. Uit het proces-verbaal van de zitting van 22 oktober 2013 blijkt dat de stelling van [verzoekster], dat over de hoogte van de huurschuld nog een procedure liep, door de bewindvoerder is betwist. Volgens de bewindvoerder is in de betreffende procedure op 17 oktober 2013 vonnis gewezen, waarbij de vordering vermeerderd met proceskosten ten bedrage van € 2.177,00 zou zijn toegewezen. Voorts is naar voren gekomen dat [verzoekster] een WWB-uitkering ontvangt. M.i. is hiermee voldoende begrijpelijk dat de verwijtbaarheid in dit geval vooral gelegen is in het gegeven dat [verzoekster] een (nieuwe) huurschuld heeft laten ontstaan terwijl zij eerder al bijzonder bijstand had gekregen om een eerdere huurschuld van € 3.629,51 te voldoen. Ik acht het arrest hiermee van een toereikende motivering voorzien.