ECLI:NL:PHR:2014:1918
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt niet-toepassing aandelenfusiefaciliteit bij driehoeksfusie met buitenlandse vennootschap
Belanghebbende had aandelen in [C] BV die hij in 2000 verkocht aan een Amerikaans beursgenoteerd bedrijf. Hij rekende deze aandelen niet tot een aanmerkelijk belang en gaf geen vervreemdingsvoordeel aan in zijn belastingaangifte. De Inspecteur nam dit vervreemdingsvoordeel echter wel in aanmerking en legde een navorderingsaanslag op. Na eerdere arresten van de Hoge Raad was niet langer in geschil dat het om een aanmerkelijk belang ging. Het Hof oordeelde dat de aandelenfusiefaciliteit niet van toepassing was en stelde de aanslag bij.
Belanghebbende stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte had geoordeeld dat er geen sprake was van een aandelenfusie in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, omdat in ruil voor de aandelen van [C] aandelen in de moedervennootschap van de overnemende vennootschap waren uitgereikt. De Advocaat-Generaal verwees naar een arrest van de Hoge Raad uit 1990 waarin werd geoordeeld dat de fusiefaciliteit niet van toepassing is wanneer aandelen in persoonlijke houdstermaatschappijen worden betrokken zonder dat dit noodzakelijk is voor het vormen van een grotere economische eenheid.
De A-G overwoog dat de wetstekst vereist dat de overnemende vennootschap eigen aandelen uitreikt, wat bij driehoeksfusies niet het geval is. Ook verwees hij naar de implementatie van de Fusierichtlijn en stelde dat deze geen faciliteit voor driehoeksfusies biedt. Verder concludeerde hij dat de weigering om de faciliteit toe te passen geen discriminatie inhoudt en niet in strijd is met het vrij verkeer van kapitaal of de vrijheid van vestiging binnen de EU. Het beroep in cassatie werd dan ook ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aandelenfusiefaciliteit wordt niet toegepast op de driehoeksfusie.