ECLI:NL:PHR:2014:1932

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 september 2014
Publicatiedatum
4 november 2014
Zaaknummer
13/03671
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 463 SvArt. 468 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek wegens ontbreken van nieuw bewijs in poging tot doodslag

De aanvrager is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf wegens tweemaal poging tot doodslag. Tegen dit arrest is cassatieberoep ingesteld, dat door de Hoge Raad is verworpen. Vervolgens heeft de aanvrager via zijn advocaat een verzoek tot herziening ingediend op grond van verklaringen van getuigen die zouden wijzen op een andere dader.

De aanvraag berustte op verklaringen van getuigen die aanwezig waren bij gesprekken tussen de aanvrager en een derde, die volgens deze verklaringen de werkelijke dader zou zijn. De procureur-generaal heeft een uitgebreid politieonderzoek laten uitvoeren, waarbij getuigen en de vermeende andere dader zijn gehoord en foto's zijn vergeleken.

Uit het onderzoek bleek dat de verklaringen van de getuigen te algemeen en weinigzeggend waren om als nieuw bewijs (novum) te kwalificeren. De vermeende andere dader ontkende betrokkenheid en het doen van belastende uitlatingen. Ook de fotovergelijking bood geen aanwijzing voor persoonsverwisseling.

Op basis van deze bevindingen concludeerde de procureur-generaal dat geen novum aanwezig is en adviseerde afwijzing van het herzieningsverzoek. De Hoge Raad volgde dit advies en wees de aanvraag af.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een novum.

Conclusie

Nr. 13/03671 H
Mr. Aben
Zitting: 9 september 2014
Conclusie inzake:

[aanvrager]

1. Bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te ’s-Hertogenbosch, van 18 februari 2011 is de aanvrager van herziening wegens tweemaal poging tot doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar. Een hiertegen ingesteld cassatieberoep is door de Hoge Raad verworpen bij arrest van 6 november 2012.
2. Namens de aanvrager heeft mr. J. IJdis, advocaat te Amsterdam, op 26 juli 2013 herziening gevraagd van het onherroepelijke arrest van 18 februari 2011.
3. De aanvrage is gegrond op een drietal verklaringen van getuigen die aanwezig zouden zijn geweest bij gesprekken tussen de aanvrager en een zekere [betrokkene 4] (bedoeld wordt: [betrokkene 4]). Uitlatingen van de laatstgenoemde bij gelegenheid van deze gesprekken zouden aanwijzingen opleveren dat niet de aanvrager, maar deze [betrokkene 4] de dader was van de pogingen tot doodslag (een steekpartij te Amsterdam op 30 april 2007) waarvoor de aanvrager is veroordeeld.
4. Het gestelde in de aanvraag gaf aanleiding om op de voet van artikel 468, derde lid Sv nader onderzoek in te (doen) stellen naar de (eventuele) aanwezigheid van een novum. Hiertoe heb ik een onderzoeksteam van de politie opgedragen de in de aanvraag de genoemde getuigen te horen, alsook de genoemde [betrokkene 4] te horen. Bovendien heb ik de politie verzocht van de aanvrager en van [betrokkene 4] foto’s bij te voegen, opdat de juistheid kan worden nagegaan van de in de aanvraag betrokken stelling dat het uiterlijk van de aanvrager en dat van [betrokkene 4] veel gelijkenis vertonen.
5. Het resultaat van dit onderzoek, een proces-verbaal d.d. 16 juni 2014 van meer dan 200 pagina’s, is mij op 24 juni 2014 ter hand gesteld. Dit omvangrijke proces-verbaal behelst de processen-verbaal waaruit het dossier was opgebouwd dat tot de veroordeling had geleid, alsook uit stukken die het resultaat zijn van het door mij gevraagde onderzoek. Op 25 juni 2014 is een afschrift van dit proces-verbaal op de voet van artikel 463, zesde lid Sv toegezonden aan de raadsman van de aanvrager, met de mededeling dat hij in de gelegenheid wordt gesteld de aanvraag nader toe te lichten. Van deze gelegenheid heeft de raadsman geen gebruik gemaakt.
6. De inhoud van het proces-verbaal d.d. 16 juni 2014 brengt mij tot de conclusie dat zich geen novum voordoet. De verklaringen van [betrokkene 6], [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 1] zijn dermate aspecifiek en weinigzeggend dat zij naar mijn inzicht niet kunnen worden aangemerkt als een novum als bedoeld in artikel 457, eerste lid, onder c, Sv. [betrokkene 4] ontkent iedere betrokkenheid bij de steekpartij van 30 april 2007 en ontkent ook uitlatingen te hebben gedaan waaruit zijn daderschap zou kunnen worden afgeleid.
7. De in het proces-verbaal gevoegde foto’s vormen overigens naar mijn inzicht geen aanwijzing dat de aanvrager en [betrokkene 4] dermate veel op elkaar lijken dat een persoonsverwisseling gemakkelijk plaatsvindt.
8. Deze conclusie strekt ertoe dat de aanvraag wordt afgewezen.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
n.d.