Conclusie
1.Feiten en procesverloop
“(lopend langs de woorden “ijz.bs, bet.r.pl. (scheef), ijz. Hoekpl, 11.95/ijz.bs)”.Dat veldwerk bevat rechtsonder echter geen kaartfragment. Bovendien komen daarop niet alle door [verweerder] bedoelde woorden voor in de door hem weergegeven samenstelling en volgorde. Voor zover [verweerder] daarbij het strookje grond op het oog heeft dat linksonder op het veldwerk [006] is weergegeven en dat ligt tussen de zwarte streeplijn en de rode streeplijn/zwarte doorgetrokken lijn, wijst de rechtbank er op dat zwarte streeplijnen geen grenzen zijn maar hulplijnen die gebruikt zijn bij de meting (zie de toelichting op het veldwerk). [verweerder] heeft ten aanzien van dit deel van zijn vordering niet aan zijn stelplicht voldaan door feitelijk onvoldoende te onderbouwen welke strook grond hij bedoelt. (…)”
in conventie
kennelijkonjuist zijn, mede omdat niet ook voor derden direct duidelijk is dat van vergissingen sprake is.
2.Beoordeling van het cassatieberoep
op de zwarte streepjeslijn op het perceel [005]gezet. Deze strook heeft een oppervlakte van ongeveer 20 m2 volgens de niet weersproken stelling van [eiser] (hierna: de strook).”
op de zwarte streepjeslijn op het perceel [005]”. Volgens het onderdeel veronderstelt het hof dat de op het veldwerk aangegeven streepjeslijnen de locatie van de afrastering (de feitelijke erfgrens) weergeven, hetgeen evident onjuist en daarom onbegrijpelijk is. Daartoe wordt aangevoerd dat uit de toelichting op het veldwerk (eerste pagina, laatste tekstblok, vierde gedachtestreepje) – zoals overgelegd als productie 5 bij conclusie na comparitie van de zijde van [verweerder] – blijkt dat zwarte streeplijnen geen grenzen zijn maar hulplijnen, gebruikt bij de meting (in welke zin ook reeds de rechtbank – in appel niet bestreden – in rov. 4.8 van haar eindvonnis [7] ). De feitelijke afscheiding, de afrastering, is op het veldwerk
nietingetekend, aldus het onderdeel.
de strook die op veldwerk [006] begrensd wordt door een streeplijn en door de rode lijn langs de woorden: "ijz. bs, bet.r.pl (scheef), ijz. hoekpl., 11.95/ijz.bs", nader te omschrijven als het stukje grond op perceel [005] dat ligt tussen de kadastrale grens en de huidige erfafscheiding en geel is ingekleurd op de aangehechte kopie van veldwerk [006]” en (in reconventie) dat [eiser] door verjaring de eigendom van de taartpunt heeft verkregen “
voor zover deze (…) geel is ingekleurd op de aangehechte kopie van veldwerk [006]”. Volgens het onderdeel heeft het hof op het veldwerk [006] niet de strook en de taartpunt geel ingekleurd, maar – als gevolg van doorwerking van de in onderdeel 1 bedoelde misslag – perceelsgedeelten van een andere ligging en omvang.
-te verklaren voor recht dat het onderhavige perceelsgedeelte van de percelen [plaats] [...] [001] en [plaats] [...] [002] en [004] aan eiser in eigendom toebehoort;” [9]
I. Voor recht te verklaren dat [eiser] door extinctieve verjaring het eigendom van het perceelsdeel kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie [...], nummers [002] en [004], dat in het bezit is van [eiser], heeft verkregen.” [10]
I. voor recht te verklaren dat appellant door extinctieve verjaring de eigendom van de perceelsgedeelten, kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie [...], nummers [002] en [004], alsmede het perceelsgedeelte, kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie [...], nummer [001], die appellant als uitkomst van de kadastrale grensmeting d.d. 1 februari 2010 aan zijn zijde van de bestaande afrastering gebleken is te occuperen, heeft verkregen;”
12. Aanvankelijk betrof het geschil van partijen uitsluitend deze taartpunt[op uitsluitend perceel [002], toev. A-G]
grond. Uit de grensmeting van 1 februari 2010 is echter gebleken dat de afrastering destijds deels op het terrein van (vader) [eiser] en deels op het terrein van [verweerder] is geplaatst. Vader [eiser] en [verweerder] moeten zich hebben vergist in de precieze loop van de erfgrens. De gemeten grens loopt bepaald anders dan [verweerder] veronderstelde toen hij deze procedure begon.
(…) een smal strookje grond (enkele tientallen centimeters), op de bijgevoegde kadastrale tekening te vinden rechtsonder (lopend langs de woorden “ijz.bs, bet.r.pl. (scheef), ijz.hoekpl, 11.95/ijz.bs”).” [15]
(…) Niet de achterzijde van de in de helling op [eiser] perceel staande garage vormt de grens. Ter hoogte van enkele meters vóór het woonhuis van [eiser] – op de kaart (dagvaarding, prod. 1) de rechte lijn richting [plaats] vanaf de knik –, wijkt de feitelijke grens, aldus [betrokkene 1] van het Kadaster, circa 20 cm af van de kadastrale grens, waardoor [verweerder] een deel van het perceel dat volgens het kadaster eigendom is van [eiser] in gebruik heeft. De grens loopt vervolgens ter hoogte van de zijkant van de garage aan de [plaats] niet met een knik richting driestammige eik, zoals nu feitelijk het geval is, maar een aantal meters rechtdoor en dan met een knik richting de eik.
(…)” [16]
"(lopend langs de woorden “ ijz.bs, betr.pl. (scheef), ijz. Hoekpl, 11.95/ijz.bs)". Dat veldwerk bevat rechtsonder echter geen kaartfragment. Bovendien komen daarop niet alle door [verweerder] bedoelde woorden voor in de door hem weergegeven samenstelling en volgorde. Voor zover [verweerder] daarbij het strookje grond op het oog heeft dat linksonder op het veldwerk [006] is weergegeven en dat ligt tussen de zwarte streeplijn en de rode streeplijn/zwarte doorgetrokken lijn, wijst de rechtbank er op dat zwarte streeplijnen geen grenzen zijn maar hulplijnen die gebruikt zijn bij de meting (zie de toelichting op het veldwerk). [verweerder] heeft ten aanzien van dit deel van zijn vordering niet aan zijn stelplicht voldaan door feitelijk onvoldoende te onderbouwen welke strook grond hij bedoelt. Dat brengt mee dat de vordering sub III niet voor toewijzing in aanmerking komt.”
Voor beide partijen was en is duidelijk om welke strook grond het gaat. [eiser] heeft immers, onder meer blijkens zijn 12e grief, aangegeven dat hij wenst dat [verweerder] het betreffende perceelsgedeelte ontruimt (zie onder meer diens vordering onder V in het petitum van de memorie van grieven), terwijl [eiser] bovendien in onder meer punt 152 aangeeft dat het gaat om een strook grond van circa 20 cm, welke strook enkele tientallen meters lang is.
88. Partijen zijn het overigens eens dat de huidige erfafscheiding over grote lengtes niet staat op de erfgrens zoals deze in 2010 door het kadaster is opgemeten. Deze erfafscheiding is niet door [betrokkene 2] geplaatst maar in de zestiger jaren van de vorige eeuw door vader [eiser]. Zij bestaat uit het Gelmohek langs [verweerder] perceel A915 en uit de houten palen met harmonicagaas langs [verweerder] percelen [007] en [008]. De door het kadaster gemeten erfgrens wijkt hiervan af. Het gaat over en weer om de grond tussen deze decennia oude afrastering en de in 2010 met merktekenen in het terrein uitgezette erfgrens. Beide partijen maken op grond van verjaring aanspraak op dat deel van deze strook grond, die aan hun zijde van de afrastering ligt.” [20]
strookje grond tussen die [op veldwerk [006] ingetekende] rode lijn (erfgrens) en die [zich links daarvan bevindende] streepjeslijn” [21]
De strook grond ter hoogte van de toegang tot de beide erven (op het veldwerk linksonder ingetekend).” [22]
de strook grond (…) ter hoogte van de inrit van beide erven (linksonder op veldwerk [006]) (..)” [23]
43. Op het veldwerk [006] zijn de inritten van de erven echter niet aangegeven. Bovendien staat ter plaatse ook geen afrastering, zoals [verweerder] sub 15 zelf ook aangeeft.De afrastering begint immers pas ettelijke meters na de toegang/inrit van het erf van [eiser]. (…) Partijen waren het tot dusverre eens dat de feitelijke grens ter plaatse niet afwijkt van de door het kadaster bepaalde in rood aangegeven erfgrens (memorie van grieven sub 45).Ter hoogte van dit deel van de erfgrens waar geen afrastering staat, occuperen partijen geen grond van elkaar. De verjaring betreft uitsluitend de stroken grond aan weerzijden van de afrastering. (…) De strook grond waar [verweerder] aanspraak op maakt op grond van verjaring, loopt vanaf de (voorheen driestammige) eik tot enkele meters voorbij het woonhuis van [eiser] waar de afrastering tussen [verweerder]’s perceel [...] [001] en [eiser]’s perceel [...] [005] samenvalt met de kadastraal gemeten erfgrens (aldus de antwoordconclusie na comparitie sub 2; zo ook de memorie van grieven sub 42 en 152). [verweerder] heeft in zijn memorie van antwoord het in [eiser]’s memorie van grieven sub 42 gestelde niet tegengesproken. In zijn memorie van grieven in het incidenteel appel stelt [verweerder] in zijn eerste grief:“Voor beide partijen was en is duidelijk om welke strook grond het gaat”
en verenigt zich vervolgens uitdrukkelijk met [eiser]’s omschrijving van de strook door [verweerder] geoccupeerde grond in par. 152 van [eiser]’s memorie van grieven. Deze strook begint vanaf de Beekmansdalseweg gezien, richting Ooijpolder, pas enkele meters voor [eiser]’s woonhuis en dat is tientallen meters vanaf het begin van de oprit. Het is in strijd met een goede procesorde om in dit stadium van de procedure, de pleidooien in hoger beroep, ‘en passant’ een nieuw en dan ook nog feitelijk zo vaag en onjuist omschreven geschilpunt te introduceren. [verweerder]’s stellingen terzake dienen dan ook te worden gepasseerd
taartpuntkennelijk opgevat als betrekking hebbend op (in ieder geval) de (gehele) gedeelten van de percelen [004] en [002] die aan de zijde van [eiser] tegen de feitelijke grensafscheiding zijn gelegen. Hiertegen is in cassatie niet opgekomen. Dat laatste geldt eveneens voor de vaststelling van het hof in rov. 4.4 dat de taartpunt een oppervlakte heeft van ongeveer 6 m2.
en [001]. Bovendien heeft het in het laatste deel van de eerste alinea van het dictum in reconventie (de gele inkleuring door het hof op het veldwerk [006]) een verklaring voor recht toegewezen die erop neerkomt dat [eiser] door verjaring eigenaar is geworden van een taartpunt grond gelegen tussen de door het kadaster gereconstrueerde perceelsgrens en de ter hoogte van de percelen [002] en [004] lopende
zwarte streepjeslijn.
strook.Het hof heeft (in rov. 4.4-4.5, 4.10-4.11, de eerste alinea van het dictum in conventie en het eerste deel van de tweede alinea van het dictum in conventie) de vorderingen ten aanzien van die strook kennelijk opgevat als betrekking hebbend op het (gehele) perceelsgedeelte van perceel [005] dat aan de zijde van [verweerder] tegen de afrastering is gelegen. Hiertegen is in cassatie niet opgekomen. Dat laatste geldt eveneens voor de constatering van het hof in rov. 4.4 dat vaststaat dat de strook een oppervlakte van ca 20 m2 heeft, en dat de afwijking van de kadastrale grens circa 20 cm (in de breedte) bedraagt.
zwarte streepjeslijn.
willentoewijzen, (slechts) betrekking heeft op die (gehele) perceelsgedeelten die tussen de feitelijke afrastering en de oorspronkelijke kadastrale perceelsgrens liggen.