ECLI:NL:PHR:2014:1960

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 november 2014
Publicatiedatum
11 november 2014
Zaaknummer
14/04179
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 86 SvArt. 87 lid 2 SvArt. 71 SvArt. 78 ROArt. 445 Sv
Verwijzingen
11 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid hof tot schorsing voorlopige hechtenis in hoger beroep tegen beschikking schorsingsverzoek

In deze zaak gaat het om de vraag of het gerechtshof terecht de verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep tegen een beschikking van de raadkamer die het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis afwees. Het hof baseerde zich op het feit dat eerder een verzoek tot schorsing was behandeld in het kader van het hoger beroep tegen het bevel tot gevangenhouding.

De Hoge Raad stelt dat het hof op grond van artikel 86 Sv Pro bevoegd is om in hoger beroep tegen een bevel tot gevangenhouding of tegen een afwijzing van een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis de voorlopige hechtenis ambtshalve of op verzoek te schorsen. Dit betekent dat het doen van een verzoek tot schorsing aan het hof niet kan worden beschouwd als het instellen van een rechtsmiddel tegen een beslissing van de rechtbank, zodat het niet-ontvankelijk verklaren van een later hoger beroep wegens een eerder behandeld schorsingsverzoek onterecht is.

De Hoge Raad vernietigt daarom de bestreden beschikking van het hof die de verdachte niet-ontvankelijk verklaarde. Hiermee wordt bevestigd dat het recht van de verdachte om eenmaal in hoger beroep te komen tegen een afwijzing van een schorsingsverzoek niet wordt beperkt door eerdere behandelingen van schorsingsverzoeken in andere procedures.

Deze uitspraak verduidelijkt het stelsel van rechtsmiddelen rondom de voorlopige hechtenis en voorkomt een onrechtmatige beperking van het hoger beroep tegen schorsingsbesluiten.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de niet-ontvankelijkheidsverklaring van het hof en bevestigt de bevoegdheid van het hof om schorsing voorlopige hechtenis in hoger beroep te behandelen.

Conclusie

Nr. 14/04179 CW
Zitting 4 november 2014
Mr. Knigge
Vordering tot cassatie in het belang der wet inzake
[verdachte]
1. Deze vordering tot cassatie in het belang der wet betreft een beschikking van het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 11 februari 2010 waarbij het Hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaarde in zijn hoger beroep tegen een beschikking van de raadkamer van de Rechtbank Dordrecht, houdende een afwijzing van het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis. Een gewaarmerkt afschrift van de beschikking en het procesdossier zijn bijgevoegd.
2. Tegen de beschikking staat ingevolge art. 445 Sv Pro geen gewoon beroep in cassatie open (HR 10 oktober 1978, NJ 1979, 156). Cassatie in het belang der wet is wel mogelijk (art. 78 RO Pro in verband met art. 456 Sv Pro).
3. Het Hof overweegt in zijn beslissing dat verdachte niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis “nu reeds een eerder verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis op 14 januari 2010 door het hof is behandeld”.
4. De eerdere beslissing van het Hof van 14 januari 2010 betrof een beschikking die is gegeven in het kader van het door verdachte ingesteld hoger beroep tegen de beschikking van de Rechtbank houdende het bevel tot gevangenhouding. Tijdens de behandeling van dit hoger beroep is tevens een mondeling verzoek tot schorsing gedaan. Het Hof bevestigde de beschikking waarvan beroep en wees het mondeling verzoek tot schorsing af.
5. De bestreden beschikking, die niet nader is gemotiveerd, lijkt in de lijn te liggen van de redenering die werd gevolgd door het Hof Arnhem in zijn beschikking van 8 februari 2006, ECLI:NL:GHARN:2006:AV1472. [1] Het Hof oordeelde in die zaak dat er bij de behandeling van het hoger beroep tegen een beslissing tot (verlenging van de) gevangenhouding of tegen een afwijzende beslissing op een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis, geen plaats is voor een tot het hof gericht verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis. De in artikel 87 lid 2 Sv Pro neergelegde wettelijke beperking, die erop neerkomt dat slechts eenmaal in hoger beroep kan worden gekomen tegen een afwijzende beslissing op een verzoek tot schorsing, zou door het toelaten van dergelijke verzoeken worden ondergraven. Zulks zou in wezen neerkomen op het geven van uitbreiding aan het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Tot het geven van een dergelijke buitenwettelijke uitbreiding is voor de rechter geen plaats, aldus het Hof Arnhem. Tegen deze beschikking is destijds cassatie in het belang der wet ingesteld (zie HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL3144). De Hoge Raad oordeelde dat het gerechtshof op grond van artikel 86 Sv Pro wel degelijk bevoegd is om bij de behandeling van een hoger beroep tegen een bevel gevangenhouding of gevangenneming of tegen een afwijzing van een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis de voorlopige hechtenis ambtshalve of op verzoek van de verdachte te schorsen.
6. Het oordeel van de Hoge Raad komt erop neer dat het doen van een (tot het hof gericht) verzoek om schorsing niet aangemerkt kan worden als het instellen van een rechtsmiddel tegen een beslissing van de rechtbank, zodat de behandeling van een dergelijk verzoek niet meebrengt dat (in wezen) uitbreiding wordt gegeven aan het stelsel van rechtsmiddelen. Dat impliceert dat die behandeling geen reden kan opleveren om een nadien ingesteld hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Een dergelijke beslissing levert, als dat hoger beroep overigens openstaat, een ontoelaatbare inperking van het stelsel van rechtsmiddelen op. In de onderhavige zaak maakte de verdachte kennelijk gebruik van het hem door art. 87 lid 2 Sv Pro toegekende recht om één maal in hoger beroep te komen tegen een afwijzende beslissing op een schorsings- of opheffingsverzoek. Aan dat recht van de verdachte doet niet af dat het Hof eerder, in het kader van het hoger beroep tegen het bevel gevangenhouding, heeft beslist op een door de verdachte gedaan verzoek om de voorlopige hechtenis te schorsen.
7. Hoewel de uitspraak van de Hoge Raad naar mijn mening helder is en er bij mijn weten in de praktijk weinig onduidelijkheid bestaat over de vraag of een verdachte in een geval als het onderhavige in zijn hoger beroep kan worden ontvangen, heb ik toch gemeend een vordering tot cassatie in het belang der wet in te moeten stellen gelet op de samenhang met de overige zaken waarin ik vandaag een vordering indien. Die zaken hebben eveneens betrekking op het stelsel van rechtsmiddelen waarmee de voorlopige hechtenis is omgeven. Ik leg ook deze zaak aan de Hoge Raad voor, zodat een completer antwoord kan worden gegeven op de vragen die op dit gebied spelen.
Het middel van cassatie
8. Ik stel in het belang der wet het volgende middel van cassatie voor:
Schending dan wel verkeerde toepassing van het recht doordat het Hof de verdachte, gelet op het bepaalde in art. 87 lid 2 Sv Pro, ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep tegen de beschikking van de Rechtbank houdende een afwijzing van het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis, nu aan het recht van de verdachte om dat hoger beroep in te stellen niet afdoet dat een eerder, in het kader van het hoger beroep van de verdachte tegen het bevel tot gevangenhouding gedaan verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis door het Hof is behandeld.
9. Op grond van het vorenstaande vorder ik dat de Hoge Raad de bestreden beschikking van het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 11 februari 2010 in het belang der wet zal vernietigen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zie ook Hof Amsterdam, 22 maart 2006, NbSr 2006/197.