ECLI:NL:PHR:2014:1960
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid hof tot schorsing voorlopige hechtenis in hoger beroep tegen beschikking schorsingsverzoek
In deze zaak gaat het om de vraag of het gerechtshof terecht de verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep tegen een beschikking van de raadkamer die het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis afwees. Het hof baseerde zich op het feit dat eerder een verzoek tot schorsing was behandeld in het kader van het hoger beroep tegen het bevel tot gevangenhouding.
De Hoge Raad stelt dat het hof op grond van artikel 86 Sv Pro bevoegd is om in hoger beroep tegen een bevel tot gevangenhouding of tegen een afwijzing van een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis de voorlopige hechtenis ambtshalve of op verzoek te schorsen. Dit betekent dat het doen van een verzoek tot schorsing aan het hof niet kan worden beschouwd als het instellen van een rechtsmiddel tegen een beslissing van de rechtbank, zodat het niet-ontvankelijk verklaren van een later hoger beroep wegens een eerder behandeld schorsingsverzoek onterecht is.
De Hoge Raad vernietigt daarom de bestreden beschikking van het hof die de verdachte niet-ontvankelijk verklaarde. Hiermee wordt bevestigd dat het recht van de verdachte om eenmaal in hoger beroep te komen tegen een afwijzing van een schorsingsverzoek niet wordt beperkt door eerdere behandelingen van schorsingsverzoeken in andere procedures.
Deze uitspraak verduidelijkt het stelsel van rechtsmiddelen rondom de voorlopige hechtenis en voorkomt een onrechtmatige beperking van het hoger beroep tegen schorsingsbesluiten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de niet-ontvankelijkheidsverklaring van het hof en bevestigt de bevoegdheid van het hof om schorsing voorlopige hechtenis in hoger beroep te behandelen.