Conclusie
4.De bewezenverklaring en de bewijsvoering
(p. 126)
(…) Op het moment dat wij het terrein van de Geffense plassen af wilden rijden, werd er een grijze schuifpoort gesloten door een vrouw die in het paars of donkerblauw gekleed was. Ik dacht althans dat ze een paarse of donkerblauwe trui droeg. Ik weet niet meer exact wat er daarna is gebeurd, lk weet nog dat wij door de poort zijn gereden. Wij hebben de poort nog geraakt, maar ik weet niet hoe dit exact is gegaan. Vanaf het terrein zijn wij linksafgereden in de richting van Geffen. (…)
(…)
(p. 133)
V: Wanneer zag je de poort?
A: Dit was pas tien meter voor de poort.
V: Hoe hard reden jullie?
A: Ik weet het niet precies. Ik weet wel dat het harder was als op het parkeerterrein. Dit zal ongeveer 20 kilometer harder zijn geweest.
V: Wat voor een poort was het?
A: Dit was een ijzeren schuifpoort met tralies. Ik denk dat de poort de hele weg af kan sluiten.
V: Hoe ging die poort dan dicht?
A: De poort schoof langzaam dicht. Ik zag dat er een vrouw bij de poort stond.
V: Waar stond de vrouw?
A: Ik weet het niet meer precies. De vrouw zal de poort wel hebben dichtgeschoven.
V: Hoe ver zat de poort dicht toen jullie daar aankwamen?
A: De auto kon er net doorheen. Ik zag dat de vrouw achteruit viel. Ze viel meteen op de grond. Ik weet niet waardoor zij op de grond is gevallen. Dit kan door de auto zijn gekomen of door het hek.
(p. 134)
V: Wat was de afstand tussen de voeten van de vrouw en het hek toen de vrouw op de grond lag?
A: Dat weet ik echt niet meer. Ik weet alleen zeker dat het hoofd van de vrouw richting de Heesterseweg lag.
V: Wat is er vervolgens gebeurd?
A: Wij zijn toen op de Heesterseweg linksaf geslagen richting Geffen.
V: Waarom zijn jullie niet gestopt?
A: We wilden gewoon weg daar.
V: Moest je die vrouw dan niet helpen?
A: Nee anders waren we wel gestopt. We wilden daar alleen maar weg.
(p. 135)
A: Ik zag dat de opening van de poort nog net groot genoeg was om dat de auto er doorheen kon. lk zag de vrouw voor mij zien aangereden worden. Ik zag de vrouw rechts naast mij neer vallen.
V: Hoe zag de vrouw eruit?
A: Ze was blank en had iets paars aan.
V: Naar welke zijde schoof het hek dicht?
A: Het hek schoof dicht richting de BMX club.
V: Jij vertelde dat toen jullie bij het hek kwamen aanrijden er een aanrijding ontstond met de vrouw. Wat hoorde jij toen?
A: Ik hoorde toen een doffe klap. Het klonk alsof je tegen een paaltje aan rijdt.
V: Wat voelde je toen?
A: Ik voelde toen een klein klapje. Ik schoot niet naar voren uit mijn stoel.
(…)
(p. 76)
(…)
V: Met welke snelheid rijden jullie in de richting van de uitgang als jullie op de toegangsuitgangsweg rijden?
A: Ik denk wel met een kilometer of 60 per uur.
V: Als jullie richting de uitgang rijden wat zie je dan?
A: Ik zag dat het toegangshek langzaam dicht ging. Ik zie dat er voor mij gezien van rechts een hekwerk over de weg schuift naar links. Dit hekwerk gaat dus als het ware dwars over de weg heen.
(p. 77)
V: Hoeveel afstand is er tussen jullie en het sluitende hek als [verdachte] besluit om toch door te rijden?
A: Dat weet ik niet precies. Ik heb wel tegen [verdachte] gezegd misschien halen wij het nog.
Toen we bij de poort aankwamen was er opeens een klap omdat we met de voorkant van de auto waarschijnlijk tegen het hekwerk aanreden.
V: Heb je gevoeld dat jullie met de auto ergens tegenaan reden?
A: Ja ik heb gevoeld dat we iets raakten met de auto. Ik voelde dat wij van rechts een klap tegen de auto kregen.
Na de aanrijding heb ik tegen [verdachte] gezegd: "hier linksaf'.
V: (...) Heb jij nog mensen gezien in de buurt van het sluitende hek?
(p. 78)
A: Ik heb niemand gezien. (...) Ik was alleen gefocust op de smalle doorgang die we nog hadden. Haalt hij het of haalt hij het niet?
(...) Toen ik de klap aan de rechter kant van de auto had gevoeld, zijn wij de poort doorgereden.
V: Hoe hoog was de snelheid toen jullie door de poort reden?
A: Ik denk 50 a 60 kilometer per uur.
V: Wat heb je gezien nadat jullie de poort voorbij waren?
A: Ongeveer 2 meter voorbij de poort, in de richting van de doorgaande weg, zag ik rechts voor mij iets voorbij komen. Dit zag ik in een flits. Dit was op een afstand van ongeveer 3 meter van de auto. Het kan ook minder zijn geweest, dus dichter naar de auto. In eerste instantie dacht ik aan een onderdeel van de auto.
Ik hoorde toen ook dat [verdachte] aan mij vroeg: "Was dat iemand of wat was dat?". Ik merkte dat [verdachte] erg geschrokken was. Op het moment dat [verdachte] en ik in mijn auto de hoofdweg opreden, dus linksaf richting Geffen wilden rijden, toen hebben [verdachte] en ik met elkaar gesproken.
(p. 79)
Ik hoorde dat [verdachte] zei: "Volgens mij was dat iemand. Volgens mij heeft die alles gebroken".”
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit ten aanzien van alle ten laste gelegde opzetdelicten onder 1A. Hij heeft dit standpunt - op gronden zoals verwoord in zijn overgelegde pleitnota - als volgt onderbouwd.
(…)
Verdachte had geen opzet op de aanrijding met het slachtoffer. Niet bewezen kan worden dat verdachte de aanmerkelijke kans dat het gevolg - de aanrijding – zich zou voordoen, heeft aanvaard. Immers, niet kan worden vastgesteld op welk moment de persoon achter het hek is gezien en evenmin kan met enige mate van zekerheid worden vastgesteld of het slachtoffer dusdanig tijdig is gezien dat - in de zeer korte tijd tussen de eventuele waarneming van het slachtoffer en het aanrijden tegen het hek - de bewustheid aanwezig was van de gevolgen die de gedragingen zouden kunnen hebben
(…)
III.
Het opzet van de bestuurderTer beantwoording van de vraag of de bestuurder opzettelijk het slachtoffer heeft aangereden zijn de volgende feiten en omstandigheden die het hof uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting heeft vastgesteld van belang. Daarbij moet worden vooropgesteld dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet indien de dader bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door zijn gedragingen het in de tenlastelegging omschreven gevolg - hier: de dood van het slachtoffer - zou intreden
j . De beide verdachten waren op heterdaad betrapt bij het stelen van brandslangen. Zij wilden er daarom vandoor gaan. [verdachte] is eerst met de auto over het parkeerterrein gaan rijden nadat ze betrapt waren door [slachtoffer 2]. Hij heeft verklaard: "Ik wilde voor die man weg" (p. 146). [verdachte] heeft verklaard dat ze zelfs na de aanrijding met het slachtoffer niet zijn gestopt, "We wilden daar alleen maar weg" (p. 135).
[betrokkene] heeft verklaard dat, toen hij op het parkeerterrein in de door [verdachte] bestuurde auto stapte, ze tegen elkaar zeiden dat ze weg moesten en dat [verdachte] zei dat ze weg moesten omdat de man de politie al aan het bellen was (p. 75).
[betrokkene] heeft ook verklaard: "Toen ik instapte zei [verdachte] [[verdachte]; hof] tegen mij dat de man met stenen tegen de auto had gegooid. Ik heb toen tegen [verdachte] gezegd dat we weg moesten rijden. (...) We moesten snel weg omdat we gesnapt waren." (p. 106).
k. Na het passeren van de slagboom is de auto met grote snelheid over het Gielekespad naar de uitgang bij de Heesterseweg gereden. [betrokkene] schat dat ze 50 à 60 km/uur reden (p. 78) en [verdachte] zegt dat hij op het parkeerterrein naar schatting 50 km/uur reed (p. 132-133) en dat ze bij het naderen van de poort ongeveer 20 km/uur harder reden (p. 134).
1. Zowel [verdachte] als [betrokkene] waren bekend met de wegsituatie op het Gielekespas en wisten dus dat dit pad een bocht naar links maakt niet ver voor de Heesterseweg (gaande in de richting van die Heesterseweg. Deze bekendheid blijkt onder meer uit het feit dat beiden meermalen op de Geffense plassen zijn geweest. Zo zijn beiden op 23 mei 2010 nog naar de carbootsale op de Geffense Plassen geweest ([verdachte], p. 127) en zijn ze samen die avond met de auto terug gegaan naar de Geffense Plassen om brandslangen te stelen. [betrokkene] heeft verklaard dat hij wist dat het terrein kan worden afgesloten met een poort (p. 72).
m. [betrokkene] heeft verklaard dat hij bij het naderen van de poort zag dat het toegangshek langzaam dicht ging (p.76). [verdachte] heeft verklaard: "Op het moment dat wij het terrein van de Geffense Plassen af wilden rijden, werd er een grijze schuifpoort gesloten door een vrouw die in het paars of donkerblauw gekleed was. (...) Ik weet nog dat wij door de poort zijn gereden. We hebben de poort nog geraakt (...). Vanaf het terrein zijn wij linksaf gereden in de richting van Geffen." (p. 127). Verder heeft hij verklaard dat het een ijzeren schuifpoort met tralies was, dat hij die poort zag toen ze tien meter voor de poort waren, dat de poort langzaam dicht ging en dat hij zag dat er een vrouw bij de poort stond van wie hij denkt dat ze de poort wel zal hebben dichtgeschoven, dat de auto net door de poort kon, dat hij zag dat de vrouw achteruit viel en dat hij de vrouw voor zich aangereden zag worden (p. 134-136).
n. Uit de verklaring van [getuige 1], die aan de overkant aan de Heesterseweg woont en heel kort na de aanrijding ter plaatse kwam, blijkt dat het slachtoffer naast het fietspad [van de Heesterseweg; hof] lag, naar zijn schatting op ongeveer 20 meter van de poort (p. 474). De getuige [getuige 2] heeft bij de uitrit van de Geffense Plassen een auto slingerend uit de bocht zien komen en hij zag dat er iets van de motorkap afrolde. Vervolgens zag hij dat een vrouw gewond aan de kant lag. Op een tekening situeert hij het slachtoffer op de hoek van de Heesterseweg met de uitrit van de Geffense Plassen (verklaring [getuige 2] bij de R-C, 8 november 2010). Deze positie van het slachtoffer stemt overeen met wat getuige [getuige 1] heeft verklaard. Hieruit volgt dat het slachtoffer op aanmerkelijke afstand van de rolpoort is aangetroffen. Zij moet dus met grote kracht zijn geraakt door de auto, al dan niet middels de rolpoort. Dit betekent dat het slachtoffer, toen ze geraakt werd, moet hebben gestaan bij het uiteinde van de poort, daar waar de auto tegen de poort is aangereden. [verdachte] moet dus vóór de aanrijding hebben waargenomen dat het slachtoffer zich bevond bij het (dichtschuivende) uiteinde van de rolpoort.
o. Volgens [verdachte] kon de auto nog net door de poort, maar heeft de auto de poort geraakt (p. 134-136). [betrokkene] heeft verklaard dat hij gefocust was op de smalle doorgang, "haalt hij het of haalt hij het niet" (p. 78) en dat hij tegen [verdachte] heeft gezegd "misschien halen wij het nog" en dat er bij de poort een klap was omdat ze met de voorkant van de auto waarschijnlijk tegen het hekwerk aanreden (p. 77). Uit het technisch sporenonderzoek is gebleken dat de rechtervoorzijde van de auto in aanraking is geweest met de dichtschuivende poort (p. 214, 243).
p. Noch uit het sporenonderzoek, noch uit verklaringen van [verdachte] of [betrokkene] is gebleken dat de bestuurder enige poging heeft gedaan of de auto te stoppen of om uit te wijken.
Uit het vorenstaande blijkt dat [verdachte] en [betrokkene] in de auto op de vlucht waren omdat ze na de betrapping op heterdaad bij de diefstal niet wilden worden aangehouden, dat [verdachte] de auto bestuurde, dat deze met aanmerkelijke snelheid reed, dat [verdachte] heeft gezien - ook al was dat maar kort vóór de poort - dat de rolpoort werd dichtgeschoven door een vrouw die zich bij het uiteinde van die poort bevond, dat er nog maar een smalle en kleiner wordende doorgang was aan de ene zijde waarvan zich die vrouw bevond, dat [verdachte] niet heeft afgeremd of uitgeweken maar het risico heeft genomen door de kleiner wordende opening, waar naar hij wist het slachtoffer stond, weg te rijden. Daarmee heeft [verdachte] bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer rechtstreeks door de auto of door middel van de poort zou worden aangereden. Gelet op de snelheid en de massa van de auto had zo’n aanrijding gemakkelijk tot de dood van het slachtoffer kunnen leiden. De kans op overlijden van het slachtoffer was dus aanmerkelijk Het opzet van [verdachte] was dus, ten minste in de zin van voorwaardelijk opzet, gericht op de dood van het slachtoffer. Het hof wil aannemen - zoals door de raadsman betoogd - dat [verdachte] en [betrokkene] tijdens hun vlucht in paniek zijn geweest, maar deze paniek ging naar het oordeel van het hof niet zo ver dat zij geen enkele wilsvrijheid meer hadden. Het hof wijst er in dit verband op dat beide verdachten welbewust handelingen hebben verricht tijdens hun vlucht, zoals het stoppen voor de slagboom, uitstappen en openen van de slagboom en het naar de uitgang rijden. Zij hebben er voor gekozen om zich aan een mogelijke aanhouding te onttrekken. Dat bij hen sprake was van paniek en stress staat niet in de weg aan opzettelijk en doelbewust handelen.
(…)
Met betrekking tot feit 1B
Het hof acht bewezen dat [verdachte] roekeloos heeft gereden. [verdachte] is met hoge snelheid over het Gielekespad naar de uitgang van de Geffense Plassen gereden. Hij was op de vlucht uit vrees aangehouden te worden. Daarbij reed hij op de verkeerde weghelft van het Gielekespad, dus hij hield niet zoveel mogelijk rechts. Kort voor die uitgang is een bocht naar links, maar [verdachte] heeft kennelijk zijn snelheid niet aangepast. Hierdoor was hij niet in staat zijn voertuig na de bocht voor de poort tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was. Hij heeft de rolpoort zien dichtgaan en heeft een persoon bij het uiteinde van de rolpoort zien staan. Hij heeft toen niet afgeremd, maar is kennelijk met onverminderde snelheid blijven doorrijden in een poging om te ontvluchten. Daarbij heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij de poort en/of het slachtoffer zou raken. Het hof is van oordeel dat het onder 1B bewezenverklaarde feit is gepleegd in eendaadse samenloop met het onder IA bewezenverklaarde”
5.Het tweede en het derde middel
tweede middelklaagt dat het Hof de bewezenverklaring van feit 1A heeft gebaseerd op een denaturering van een door de verdachte afgelegde verklaring. Het
derde middelklaagt over de bewezenverklaring van het onder 1A tenlastegelegde opzet.
Vervolgens zijn we gevallen met de scooter en ben ik opgestaan en weggerend. Ik heb niet gehoord dat de politie "stop" naar mij riep. Terwijl ik aan het rennen was, zag ik een agent staan. Hij riep dat ik moest stoppen. Ik probeerde de agent te ontwijken, hij tackelde mij en ik struikelde richting geparkeerde auto's. Ik rende vervolgens verder, ik rende richting de doorgang tussen de geparkeerde auto's en de muur, in de verte zag ik een agent. Toen ik in de smalle doorgang rende, sprong de agent opeens voor mij. Ik rende zo hard, dat ik niet kon stoppen. Ik kon ook geen andere kant op. Ik ben toen tegen de agent op gebotst. Ik rende hard. Toen de agent "stop" naar mij riep, was de smalle doorgang nog vrij en ben ik doorgegaan met rennen. Ik kon vervolgens echt niet meer stoppen. Mijn doel was om weg te komen. Ik zag de doorgang en wilde weg.”
6.Het vierde middel
7.Het eerste en het vijfde middel
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Gelet op de bijzondere aard en ernst van de feiten zal het hof bij de bepaling van de op te leggen straf of maatregel niet het jeugdstrafrecht toepassen.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.
Alles overziend acht het hof, conform de eis van de advocaat-generaal, een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden een passend en geboden.
Het hof zal, gelet op artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, de straf ten aanzien van de niet aan zijn oordeel onderworpen door de eerste rechter bewezen verklaarde feiten, te weten feit 2. de gekwalificeerde poging tot doodslag van [slachtoffer 2] en feit 3. het verlaten van een plaats ongeval bepalen op een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden. Ook hierbij geldt dat gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vernielden duur met zich brengt.
- de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht bij het slachtoffer [slachtoffer 1] en haar partner [slachtoffer 2]; in dit verband zij herhaald dat de verdachte wordt veroordeeld ter zake van twee pogingen tot doodslag: een op [slachtoffer 2], op wie verdachte tot tweemaal toe is ingereden, en een op [slachtoffer 1], die daardoor ernstig gewond is geraakt, en voorts is veroordeeld ter zake van het feit dat hij na de aanrijding met [slachtoffer 1] is doorgereden zonder zich te bekommeren om het slachtoffer haar in hulpeloze toestand heeft achtergelaten;
- de proceshouding van verdachte; verdachte heeft tot in hoger beroep gelogen over de omstandigheid dat hij de bestuurder van de personenauto is geweest.
- het gaat om een jonge verdachte (hij was ten tijde van de delicten 18 jaar oud), die weliswaar volgens het psychiatrisch rapport d.d. 29 juli 2010 niet lijdende was aan een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, maar bij wie wel moet worden gesproken van een matig ontwikkelde persoonlijkheid en van onrijpheid met grote afhankelijkheid van de ouders en een onvermogen om adequaat te handelen in een acute situatie.;
- het recidiverisico wordt door de psychiaters en de reclassering laag ingeschat;
- verdachte heeft de door de rechtbank opgelegde straf reeds uitgezeten, maar krijgt door de afloop van de zaak in hoger beroep een hogere gevangenisstraf.
- zoals mede blijkt uit een brief d.d. 10 september 2012 van de ouders van de verdachte, is de verdachte na zijn invrijheidstelling bezig zijn leven op te bouwen met een combinatie van opleiding en werk en heeft hij een vriendin leren kennen. Weliswaar weegt dit - afgezet tegen de ernst van de bewezen verklaarde feiten - niet zwaar genoeg om de verdachte helemaal geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf "erbij te geven", maar die extra gevangenisstraf wordt door het hof beperkt tot een overzienbare periode.