ECLI:NL:PHR:2014:2048

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 september 2014
Publicatiedatum
17 november 2014
Zaaknummer
13/04758
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a RO
Verwijzingen
1 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging veroordeling poging tot doodslag met bijl

Het gerechtshof ’s-Gravenhage heeft verdachte veroordeeld wegens poging tot doodslag. Uit het bewijs blijkt dat verdachte met de scherpe kant van een zware bijl van 3 à 4 kilo met kracht slagen heeft toegebracht in de richting van het hoofd van het slachtoffer. Het slachtoffer moest zich verdedigen door zijn armen op zijn hoofd te leggen, waarbij hij een gebroken linkeronderarm opliep door de slagen.

Het hof kwalificeerde de kans dat een dergelijke krachtige slag met een zware bijl dodelijk kan zijn als aanmerkelijk en oordeelde dat verdachte bewust deze aanmerkelijke kans heeft aanvaard. De verdediging voerde aan dat de bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd was, maar dit werd door het hof en de Hoge Raad verworpen.

De Hoge Raad concludeerde dat het oordeel van het hof over de kracht van de slagen en het gevaar van het wapen niet onbegrijpelijk is en voldoende is gemotiveerd. De klacht over de medische verklaring die alleen letsel aan de linkerarm vermeldt, faalt en wordt afgedaan volgens artikel 80a RO.

Uitkomst: Hoge Raad bevestigt veroordeling van verdachte wegens poging tot doodslag met een zware bijl.

Conclusie

Nr. 13/04758
Mr. Aben
Zitting 2 september 2014
Standpunt c.q. conclusie inzake:
[verdachte]
Bestreden arrest:
Gerechtshof ’s-Gravenhage d.d. 17 september 2013
Het hof heeft de verdachte veroordeeld wegens poging tot doodslag. Bewezen verklaard is dat het slachtoffer meermalen met kracht met de botte kant van een zware bijl heeft geslagen, onder meer in de richting van het hoofd van het slachtoffer.
Met betrekking tot de bewezenverklaring heeft het hof het volgende overwogen:
“Door de verdediging is bestreden dat de onder 1 tenlastegelegde handelingen poging tot doodslag op leveren. Het hof stelt vast dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte met de scherpe kant van een bijl die 3 a 4 kilo zwaar was en een stalen kop had dusdanig slaande bewegingen richting het hoofd van de aangever heeft gemaakt, dat de aangever zich daartegen moest verweren door zijn armen op zijn hoofd te leggen. Dat de slaande bewegingen met kracht zijn gemaakt leidt het hof af uit de breuk van de linker onderarm van Vrolijk die als gevolg van het slaan met de bijl is ontstaan. De kans dat een dergelijke krachtige slag met een 3 a 4 kilogram zware bijl op de schedel van een mens de dood ten gevolge heeft wordt door het hof als aanmerkelijk gekwalificeerd. Onder die omstandigheden is het hof van oordeel dat de verdachte door die bewegingen met een dergelijk kracht en dergelijk gevaarlijk voorwerp te maken, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever daardoor zou kunnen te komen overlijden.”
Het middel, dat klaagt over de motivering van de bewezenverklaring is evident kansloos voorgesteld. ’s Hofs oordeel dat de slaande bewegingen met kracht zijn gemaakt, komt mij geenszins onbegrijpelijk voor. Dat oordeel is bovendien toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat, zoals door de steller van het middel wordt aangevoerd, uit de voor het bewijs gebezigde medische verklaring (bewijsm. 5) slechts kan volgen dat het slachtoffer aan zijn linkerarm letsel heeft bekomen.
De klacht kan worden afgedaan op de voet van artikel 80a RO.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
n.d.