Conclusie
[verdachte]
eerste middelbehelst de klacht dat het Hof bij de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van een deskundige een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd. Het
tweede middel klaagt – kort gezegd – over de onbegrijpelijke motivering van de afwijzing van dat verzoek. De middelen worden in het licht van HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496 gezamenlijk besproken.
eerste middelis derhalve terecht voorgesteld.
tweede middelklaagt erover dat het Hof ‘’het verzoek van de verdediging om oproeping van een deskundige heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen, althans de afwijzing van het verzoek onbegrijpelijk, althans ontoereikend, althans onvoldoende heeft gemotiveerd.’’. De motivering houdt naast het onjuiste criterium niets anders in dan dat de verdediging in de gelegenheid wordt gesteld om al hetgeen in te brengen wat zij in het belang van de verdediging acht kan inbrengen. Dat maakt dat die motivering ook niet enig aanknopingspunt bevat om te begrijpen dat een verdedigingsbelang ontbreekt. Vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496 r.o. 2.76. Dat klemt te meer nu de door de deskundige op betrouwbaarheid te toetsen verklaring van de getuige [betrokkene 2] als bewijsmiddel 6 in het bestreden arrest is gebruikt en dat bewijsmiddel op onderdelen zelfstandig inhoud geeft aan de rol van verdachte.
bij de Hoge Raad der Nederlanden