Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 2.1heeft het hof in de eerste plaats miskend dat het systeem van de Algemene wet bestuursrecht en de Invorderingswet 1990 eraan in de weg staat dat een derde (in dit geval: HCCI) die voor een ander een in een aanslag geformaliseerde belastingschuld of een gedeelte daarvan heeft betaald voor de terugbetaling van hetgeen teveel is betaald, nadat deze aanslag is verminderd, een vordering naar burgerlijk recht instelt op grond van art. 6:203 BW Pro. De verplichting tot betaling van een belastingaanslag door een belastingschuldige en de verplichting tot teruggave door de Ontvanger van betaalde belasting zijn immers
bestuursrechtelijkegeldschulden, waarvoor specifieke regels gelden. Art. 6:203 BW Pro is daarop niet van toepassing. In de tweede plaats heeft het hof miskend dat ingevolge de Invorderingswet 1990 na een vermindering van de belastingschuld terugbetaling door de Ontvanger slechts kan plaatsvinden
aan de belastingschuldige, dat wil zeggen aan degene te wiens naam de (verminderde) belastingaanslag was gesteld (in dit geval: aan CCI).
als vertegenwoordiger namens CCIeen belastingschuld heeft voldaan, maar enkel omdat zij daartoe verplicht was op grond van art. 24 (oud) Iw. Een derde kan de schuld van een ander betalen (art. 6:30 BW Pro) [24] . In het burgerlijk recht kan degene die voor een ander betaalt, zelf de vordering uit onverschuldigde betaling instellen indien achteraf blijkt dat de betaling onverschuldigd is geschied [25] .
unfairdat de Ontvanger wél gerechtigd is een derde (hier: HCCI) aan te spreken om de schuld van een ander (hier: CCI) te voldoen, maar ‘niet thuis’ geeft wanneer het teveel betaalde moet worden teruggegeven.
unfairebetreft: het gaat niet erom dat de Ontvanger het teveel betaalde mag behouden; het gaat slechts om de vraag of de Ontvanger terugbetaalt aan HCCI dan wel aan (de curator in het faillissement van) CCI. Binnen een fiscale eenheid Vpb is het mogelijk dat verliezen, geleden door een tot die fiscale eenheid behorende dochtermaatschappij, leiden tot een teruggaaf vennootschapsbelasting aan de moedermaatschappij (voor de geconsolideerde vennootschapsbelasting is de moedermaatschappij de belastingplichtige); in dit geval heeft dit kennelijk geleid tot de in rubriek 1.1.3 bedoelde teruggaaf. Zolang de moedermaatschappij de aandelen in de dochtermaatschappij houdt, is het economisch om het even of de teruggaaf van loonbelasting en premies geschiedt aan de dochtermaatschappij dan wel aan de moedermaatschappij: een teruggaaf aan de dochtermaatschappij verhoogt immers de waarde van de aandelen van die dochtermaatschappij. Dat in het onderhavige geval wél verschil maakt of de teruggaaf loonbelasting en premies wordt uitbetaald aan CCI dan wel aan HCCI, komt door het feit dat HCCI op 20 juli 2005 het concernverband heeft verbroken.
quasiaansprakelijkheid van HCCI voor de loonbelasting- en premieschulden van haar dochtermaatschappij CCI vloeide voort uit de bijzondere verrekenbevoegdheid van de Ontvanger op grond van art. 24 (oud) Iw, in combinatie met de omstandigheid dat HCCI en CCI deel uitmaakten van dezelfde fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting [28] . Niet de fiscale eenheid of HCCI, maar CCI was en blijft de geadresseerde van de in 1.1.2 genoemde naheffingsaanslag loonbelasting en premies.
materieelniet verschuldigd waren, klaagt de Ontvanger dat het hof miskent dat het systeem van de Invorderingswet meebrengt dat het betalen van een aanslag ter zake van belasting die − naar achteraf is vastgesteld − materieel niet verschuldigd is, niet leidt tot een vordering (van de derde-betaler) jegens de Ontvanger op grond van art. 6:203 BW Pro. Deze rechtsklacht bouwt voort op de voorgaande middelonderdelen en deelt het lot daarvan.
formeelniet verschuldigd was voor zover de naheffing nadien is verminderd, klaagt onderdeel 2.6 dat dit oordeel onbegrijpelijk is: HCCI had in de procedure bij de rechtbank en het hof niet gesteld − en de Ontvanger behoefde dus ook niet te weerspreken − dat toen sprake was van een aanslag die niet aan de formele vereisten voldeed en daarom niet rechtsgeldig zou zijn. Het komt mij voor, dat deze klacht feitelijke grondslag mist, omdat de beslissing van het hof niet berust op de in dit middelonderdeel bedoelde vaststelling.