AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Opheffing dwangsom bij onmogelijkheid nakoming hoofdveroordeling spouwmuur herstellen
In deze zaak gaat het om een vordering tot opheffing, opschorting of vermindering van een dwangsom die was opgelegd aan eiser c.s. wegens het niet verwijderen van een betonnen fundering onder de spouwmuur van de bibliotheek van verweerder c.s. zonder de muur te beschadigen. De hoofdveroordeling verplichtte eiser c.s. de fundering te verwijderen en de oude toestand te herstellen, waarbij het hof een dwangsom van € 5.000 per dag met een maximum van € 100.000 oplegde.
Eiser c.s. stelden dat het praktisch onmogelijk was om aan deze hoofdveroordeling te voldoen zonder schade aan de muur te veroorzaken, zoals bleek uit rapporten van deskundigen en een gemeentelijke rapportage. Het hof oordeelde echter dat verwijdering mogelijk was mits het treffen van aanvullende voorzieningen ter voorkoming van schade, en dat het begrip 'oude toestand' niet al te letterlijk moest worden genomen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onjuiste rechtsopvattingen heeft gehanteerd door de hoofdveroordeling aan te passen en niet te toetsen aan de werkelijke onmogelijkheid zoals bedoeld in art. 611d Rv.
De Hoge Raad benadrukt dat de dwangsomrechter niet bevoegd is om de hoofdveroordeling te wijzigen en dat de onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen moet worden vastgesteld zonder deze aan te passen. Ook heeft het hof nagelaten een redelijkheidstoets uit te voeren omtrent de inspanningen die van eiser c.s. kunnen worden verlangd. Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe beoordeling, waarbij ook een schikkingscomparitie wordt aanbevolen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe beoordeling.
Voetnoten
1.Voor zover thans van belang. Zie voor een volledig overzicht van de feiten rov. 1.a. t/m 1.k. van het arrest van het gerechtshof ’s‑Hertogenbosch van 14 februari 2012, alsmede rov. 2.1 van het vonnis van de rechtbank Roermond van 9 juni 2010.
2.Eveneens voor zover in cassatie van belang. Zie o.m. rov. 2.1-2.3 van het in cassatie bestreden arrest van het gerechtshof ’s‑Hertogenbosch van 3 september 2013 en rov. 1 en 3 van het vonnis van de rechtbank Roermond van 9 juni 2010.
3.Zie rov. 2.2 van het in cassatie bestreden arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 3 september 2013. Genoemd vonnis van de voorzieningenrechter ontbreekt in het door [eiser] c.s. in cassatie overgelegde procesdossier.
4.Zie deze memorie van antwoord onder 9-14.
5.[eiser] c.s. verwijzen onder 13 van de schriftelijke toelichting wel naar productie 6 bij de memorie van antwoord (van [verweerder] c.s.), maar bij het in cassatie overgelegde exemplaar van die memorie ontbreken de in die memorie genoemde producties.
6.Zie rov. 1.1-1.2 van het in cassatie bestreden arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 3 september 2013.
7.De cassatiedagvaarding is op 26 november 2013 uitgebracht.
8.Zie de inleiding op het middel onder I van de cassatiedagvaarding.
9.Zie de cassatiedagvaarding onder II t/m VII. De onderdelen zijn van kopjes voorzien.
10.De belangrijkste literatuur over de dwangsom van Boek 2, titel 5, derde afdeling van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (art. 611a-i Rv.) is M.B. Beekhoven van den Boezem, De dwangsom in het burgerlijk recht (diss. Groningen), 2007 en haar bewerking van Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.) art. 611a-i Rv., alsmede A.W. Jongbloed, De privaatrechtelijke dwangsom, 2007, en zijn bewerking – samen met Van den Heuvel – van T&C Rv, art. 611a-i Rv. Zie ook de gemeenschappelijke memorie van toelichting van de Benelux-overeenkomst houdende eenvormige wet betreffende de dwangsom, Kamerstukken II, 1975-1976, 13 788 (R 1015).
11.Zie HR 15 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9400 (NJ 2004, 410), rov. 3.5. Zie ook Jongbloed, a.w., nr. 155; Jongbloed & Van den Heuvel 2012 (T&C Rv), art. 611d Rv, aant. 2. 12.ECLI:NL:XX:1986:AC9501 (NJ 1987, 909, m.nt. W.H. Heemskerk). Zie ook de gemeenschappelijke memorie van toelichting van de Benelux-overeenkomst houdende eenvormige wet betreffende de dwangsom, Kamerstukken II, 1975-1976, 13 788 (R 1015), nr. 4, p. 19-20. 13.Onder 9.
14.Zie BenGH 29 april 2008, ECLI:NL:XX:2008:BD4245 (NJ 2008, 309), rov. 7-8. Vgl. ook de gemeenschappelijke memorie van toelichting van de Benelux-overeenkomst houdende eenvormige wet betreffende de dwangsom, Kamerstukken II, 1975-1976, 13 788 (R 1015), nr. 4, p. 19: “Het gaat hier om een bevoegdheid waarvan de uitoefening aan het oordeel van de rechter is overgelaten, zodat deze rekening kan houden met alle omstandigheden, met name met de blijvende of tijdelijke aard van de onmogelijkheid, met de vraag of er volledige of gedeeltelijke onmogelijkheid is en ook met de wijze waarop de schuldenaar wellicht zelf de onmogelijkheid heeft veroorzaakt.” 15.Zie o.m. HR 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0004 (NJ 2012, 528, m.nt. A.I.M. van Mierlo), rov. 3.4.2; HR 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5887 (NJ 2003, 521), rov. 3.5.2; en HR 21 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2906 (NJ 2000, 13), rov. 3.3. Zie ook Beekhoven van den Boezem, a.w., 2007, nr. 16.5.2 en Jongbloed, a.w., nr. 164. 16.Zie o.m. HR 21 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2906 (NJ 2000, 13), rov. 3.3; en HR 22 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0832 (NJ 1993, 598, m.nt. H.J. Snijders), rov. 3.2, waarover Beekhoven van den Boezem, a.w., 2007, nr. 16.5.3. 17.Zie BenGH 9 maart 1987, ECLI:NL:XX:1987:AB7786 (NJ 1987, 910, m.nt. W.H. Heemskerk), rov. 10, waarin het hof expliciet heeft geoordeeld dat de rechter uitsluitend in geval van “onmogelijkheid” (als bedoeld in art. 611d Rv.) bevoegd is om een dwangsom op te heffen of te verminderen. In gelijke zin eerder o.m. HR 6 februari 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4145 (NJ 1982, 182, m.nt. W.H. Heemskerk), rov. 4; en hof Amsterdam 20 januari 1984, ECLI:NL:GHAMS:1984:AC8267 (NJ 1985, 431), rov. 5.2. Zie daarover ook Beekhoven van den Boezem, a.w., 2007, nr. 15.4.1 en Jongbloed, a.w., nr. 165. 18.Zie Beekhoven van den Boezem, a.w., 2007, nr. 15.4.2 e.v.
19.Vgl. Beekhoven van den Boezem, a.w., 2007, nr. 15.2.1-15.2.2 en Jongbloed, a.w., nr. 165, met verwijzingen naar jurisprudentie.
20.Zie het dictum van genoemd arrest.
21.Zie rov. 15, ad a t/m c.
22.Zie rov. 4.2 van het bestreden arrest.
23.Zie daarover Beekhoven van den Boezem, a.w., 20047, nr. 16.5.2.
24.Burgerlijke Rechtsvordering, Beekhoven van den Boezem, art. 611d, aant. 3: “Onmogelijkheid als bedoeld in art. 611d Rv. omvat het geval waarin het naleven van de hoofdveroordeling reeds onmogelijk was op het moment waarop zij werd uitgesproken.”
25.[eiser] c.s. merken in dat verband in de schriftelijke toelichting onder 12 op dat [verweerder] c.s. ongetwijfeld een punt zouden hebben gehad indien [eiser] c.s. (uit eigen beweging) voorzieningen ter voorkoming van schade zouden hebben getroffen, omdat [verweerder] c.s. dan met recht en rede zouden kunnen stellen dat ‘de oude toestand’ nog steeds niet hersteld was.
27.Of in de bewoordingen van A-G Huydecoper onder 35 van zijn conclusie vóór HR 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5887 (NJ 2003, 521): valt de prestatie ter zake waarvan de veroordeelde wordt aangesproken binnen/buiten het bereik van wat hij in redelijkheid moet presteren om aan die veroordeling te voldoen. 28.Productie 4 bij de inleidende dagvaarding.
29.In de inleidende dagvaarding van 8 mei 2012 wordt onder 33-34 melding gemaakt van correspondentie tussen de advocaten van partijen waaruit zou blijken dat er mogelijkheden waren om in onderling overleg tot een oplossing te komen. Onder 39-40 wordt gesproken van een voorstel van [eiser] c.s. tot mediation. En onder 44-45 wordt melding gemaakt van de bereidheid van [eiser] c.s. om tot een redelijke oplossing te komen. Een en ander wordt niet echt ontkend in de memorie van antwoord (zie bv. hetgeen daar onder 22 wordt opgemerkt). Onder 27 van de memorie van antwoord wordt zelfs expliciet vermeld dat [eiser] heeft gepoogd te overleggen met diverse partijen, waaronder [verweerder] c.s. Zie ook rov. 4.7, tweede volzin van het bestreden arrest.