ECLI:NL:PHR:2014:213

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 februari 2014
Publicatiedatum
26 maart 2014
Zaaknummer
12/02580
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 359 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt oordeel hof over profijtontneming en redelijke termijn

In deze zaak stond de vraag centraal of het hof ten onrechte niet had gereageerd op het door betrokkene ingenomen standpunt dat hij vrijwel geen voordeel had verkregen uit de ten laste gelegde feiten. Betrokkene had verklaard dat hij weliswaar gerechtigd was tot meerdere bankrekeningen, maar dat hij geen geld van deze rekeningen had ontvangen en failliet was gegaan.

De Hoge Raad overwoog dat een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid, Sv, een standpunt is dat duidelijk, met argumenten onderbouwd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie aan de feitenrechter wordt voorgelegd. Het hof had geoordeeld dat het door betrokkene ingenomen standpunt niet aan deze criteria voldeed en daarom geen responsieplicht had.

De Hoge Raad vond dit oordeel niet onbegrijpelijk of onjuist en verwierp het middel. Er waren ook geen gronden om ambtshalve tot vernietiging over te gaan. Daarmee werd het cassatieberoep verworpen en bleef het arrest van het hof in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Conclusie

Nr. 12/02580P
Zitting: 18 februari 2014
Mr. Hofstee
Aanvullende conclusie inzake:
[betrokkene]
1. De schriftuur in deze zaak bevat twee middelen. In mijn conclusie van 19 november 2013 heb ik hiervan enkel het eerste middel besproken. Ik kwam tot de slotsom dat het eerste middel terecht is voorgesteld en concludeerde tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof. In het arrest van 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:140 heeft Uw Raad echter geoordeeld dat het eerste middel faalt. Uw Raad stelt mij in de gelegenheid mij thans uit te laten over het tweede voorgestelde middel.
2. Het
tweede middelbehelst de klacht dat het Hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de betrokkene dat hij (vrijwel) geen voordeel heeft verkregen, zodat het bestreden arrest (op dit punt) ondeugdelijk is.
3. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft de betrokkene op de terechtzitting in hoger beroep d.d. 14 februari 2012, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende verklaard:
“Ik heb acquisitiebedrijven gehad. Het is voornamelijk [betrokkene 1] geweest die werkzaamheden uitvoerde voor deze bedrijven. Daarbij is een klein deel niet goed gegaan, maar het overgrote deel waren eerlijke werkzaamheden. U houdt mij de volgende bankrekeningnummers voor. [001](ING). [002](ING). [003] (Rabo). [004](Rabo). [005](ABN-Amro). [006](ABN-Amro). [007](ABN-Amro). Het klopt dat ik gerechtigd was tot deze bankrekeningen. Ik heb echter geen geld ontvangen van deze 7 bankrekeningen. Ik ben niet voor niets failliet gegaan.”
4. Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid, Sv is sprake als het gaat om een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht. De uitleg van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is voorbehouden aan de feitenrechter en kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. [1] In het onderhavige geval heeft het Hof hetgeen door de betrokkene is aangevoerd kennelijk niet opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt waarvoor de in art. 359, tweede lid, Sv bedoelde responsieplicht geldt. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
5. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
6. Gronden waarop Uw Raad gebruik zou moeten maken van Uw bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, zevende druk, 2012, p. 205.