Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat art. 6 EVRM Pro is geschonden nu de verdachte niet werd bijgestaan door een advocaat en het Hof ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of de verdachte daadwerkelijk ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand, althans het Hof zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd. Voorts klaagt het middel dat het Hof onvoldoende aandacht heeft gehad voor de positie van de verdachte en hem onvoldoende heeft voorgelicht over de consequenties van zijn proceshouding.
(…)
(1) De verdachte is in deze zaak bijgestaan door verschillende advocaten die zich genoodzaakt hebben gezien zich terug te trekken.
(2) Het Hof heeft getracht om via de deken van de plaatselijke orde van advocaten een raadsman aan de verdachte aan te wijzen, hetgeen niet is gelukt omdat de verdachte bij de deken heeft aangegeven dat hij geen raadsman wenste. Ter terechtzitting heeft de verdachte dit bevestigd en eraan toegevoegd dat hij geen contact met de deken wenste en zelf zijn verdediging wil voeren.
(3) Op de vraag of de verdachte beseft welk recht hij prijs geeft en of het werkelijk zijn bedoeling is af te zien van rechtsbijstand door een raadsman en zijn eigen verdediging wenst te voeren of dat de zaak toch nog een keer moet worden aangehouden om verdachte voor de laatste keer van rechtsbijstand te laten voorzien heeft de verdachte geantwoord dat hij de zaak vandaag zonder advocaat wil afdoen en dat hij zich voor vandaag, met name schriftelijk, heeft voorbereid op zijn verdediging. Factoren die verder voor de beoordeling nog van belang zijn: (1) verdachte wordt verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan belaging hetgeen een feit betreft waarop gevangenisstraf van meer jaren staat; (2) in eerste aanleg is verdachte terzake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zeven maanden met een proeftijd van twee jaren met bijzondere voorwaarden, (3) verdachte heeft bekend de in de tenlastelegging omschreven handelingen te hebben verricht; (4) in hoger beroep heeft het Openbaar Ministerie gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld en dat aan hem een voorwaardelijke gevangenisstraf van zeven maanden met een proeftijd van twee jaren met bijzondere voorwaarden wordt opgelegd.
tweede middelkomt op tegen de afwijzing door het Hof van het verzoek om een elftal personen als getuige te horen.
Verzoeken van de verdachte
derde middelklaagt over het uitblijven van een reactie op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid, Sv, inhoudende dat het handelen van de verdachte slechts een vorm van protest was tegen het in zijn ogen onrechtmatig handelen van de officier van justitie [getuige 9] en de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en er voor hem geen andere weg open stond zodat de belaging niet als wederrechtelijk moet worden beschouwd.
“Slotpleidooi [verdachte]:
(…)
vierde middelklaagt dat het Hof in strijd met art. 14b (oud) Sr de duur van de proeftijd heeft bepaald op drie jaar.
“BESLISSING
vijfde middelbehelst de klacht dat het Hof in strijd met art. 1 lid 2 Sr Pro de dadelijke uitvoerbaarheid van de bij de veroordeling opgelegde bijzondere voorwaarden heeft bevolen, althans deze beslissing ontoereikend heeft gemotiveerd.
Strafmotivering