Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
business classin 2007 en 2008, terwijl de werknemer wist dat de raad van bestuur van het UMC noch het zgn. clusterbestuur daarmee, wat betreft die jaren, nog instemden en hij slechts recht had op vergoeding van vluchten in de
economy class;
business classin plaats van
economy class.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
in beginselheeft te gelden als een ‘dringende reden’ voor ontslag. Ernstige onzorgvuldigheid en slordigheid vallen immers aan te merken als het door een werknemer ‘op grovelijke wijze de plichten veronachtzamen’ als bedoeld in art. 7:678, lid 2 onder k, BW (cassatiedagvaarding onder 6).
businessclassin 2007 en 2008) in rov. 4.13 − 4.22; wat betreft de verwijten onder c en d (kosten van advocaat en coach bij de onderhandelingen over een tussentijdse beëindiging van de arbeidsovereenkomst) in rov. 4.23 − 4.30; wat betreft het verwijt onder e (vergeten tijdig vlucht te annuleren) in rov. 4.32 en wat betreft het verwijt onder f (reis in
businessclassnaar Zuid-Afrika) in rov. 4.34. Daarmee heeft het hof de aard en de ernst van hetgeen aan de werknemer werd verweten uitdrukkelijk in zijn oordeel betrokken. Het hof heeft niet bewezen geacht dat sprake is van een “grove veronachtzaming” door de werknemer van zijn verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst, zoals de Stichting in de ontslagbrief van 29 september 2008 had gesteld. Kortom, slechts een gedeelte van de door de Stichting aan de werknemer gemaakte verwijten, die de werkgeefster aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd, is komen vaststaan.
‘zero tolerance’aanhoudt. Wanneer iemand een bezem door de organisatie wil halen, ligt daarom voor de hand dat het vegen bovenaan de trap begint, zoals het spreekwoord luidt.
opzettelijkhandelingen hebben verricht waardoor hun werkgever werd benadeeld en zij bevoordeeld, gaat de vergelijking niet op: het hof achtte een opzettelijk of bewust onjuist declareren immers niet aangetoond. In zoverre is het oordeel in cassatie onbestreden. Verder wordt de onderhavige casus gekleurd door (onduidelijkheid over) de individuele, van het normale reiskostenregime afwijkende, arbeidsvoorwaarden van deze werknemer, onderscheidenlijk door een volgens het hof gerechtvaardigde verwachting van de werknemer dat tijdens de op initiatief van de Stichting gevoerde onderhandelingen over tussentijdse beëindiging in overleg van zijn dienstverband, de door hem te maken kosten ten minste voor een deel door de Stichting zouden worden vergoed (rov. 4.29). Tegen die achtergrond valt te begrijpen dat het hof aan het gezichtspunt van de ‘voorbeeldfunctie’ niet de betekenis heeft toegekend die de steller van het middel aan dit gezichtspunt wil verbinden.
nietmet succes de nietigheid inroept − en de opzegging dus in stand blijft − heeft de werknemer het feit te accepteren dat de arbeidsovereenkomst door opzegging eindigt, maar kan hij aanspraak maken op vergoeding van schade wegens het niet in acht nemen door de werkgever van de normale opzegtermijn (dat is de vergoeding, bedoeld in art. 7:677 lid 2 BW Pro, waarbij de werknemer de keuze heeft tussen de gefixeerde schadeloosstelling als bedoeld in art. 7:680 BW Pro of volledige schadevergoeding). Daarnaast kan de werknemer schadevergoeding vorderen op grond van kennelijk onredelijke opzegging (art. 7:681 BW Pro).
vervangendeschadevergoeding is dan niet aan de orde. Dit neemt niet weg dat, als gevolg van een ontslag op staande voet en de daarvoor gehanteerde gronden,
bijkomendeschade kan zijn geleden. Voor een verwijzing van partijen naar de schadestaat is noodzakelijk, maar tevens voldoende dat het bestaan of de mogelijkheid van schade als gevolg van de gestelde wanprestatie of onrechtmatige daad, aannemelijk is [15] . Aan de in rov. 4.1 onder d genoemde vordering heeft de werknemer ten grondslag gelegd: handelen in strijd met goed werkgeverschap en toerekenbare niet-nakoming van de vaststellingsovereenkomst, en in dat verband met name genoemd de ruchtbaarheid die aan het ontslag op staande voet is gegeven en de als gevolg daarvan door de werknemer geleden schade bij het vinden van een nieuwe betrekking, alsmede vermogensschade door de noodzaak op korte termijn te verhuizen. Ook aan de in rov. 4.1 onder e genoemde vordering tot vergoeding van immateriële schade is deze reputatieschade ten grondslag gelegd [16] , met het argument dat deze schade (niet aan de werknemer zelf, maar) aan de Stichting zou zijn toe te rekenen. Gelet op het feit dat de dienstbetrekking per 1 oktober 2008 hoe dan ook met wederzijds goedvinden zou zijn beëindigd, is niet onbegrijpelijk dat het hof de opgegeven inkomensschade niet zonder meer voor toewijzing vatbaar heeft geacht; wat betreft de overige schadecomponenten was het debat nog niet afgerond. Onder deze omstandigheden stond het het hof vrij partijen naar de schadestaatprocedure te verwijzen. Een nadere motivering was niet nodig om deze beslissing voor de lezer begrijpelijk te doen zijn. Zowel de rechtsklacht als de motiveringsklacht van onderdeel 3 faalt.