Conclusie
1.Feitenen procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
“Bestuursrechtelijke geldschulden”) toegevoegd, die bepalingen bevat over vaststelling en inhoud van de verplichting tot betaling (afdeling 4.4.1), over verzuim en wettelijke rente (afdeling 4.4.2), over verjaring (afdeling 4.4.3), over aanmaning en invordering bij dwangbevel (afdeling 4.4.4) en over bezwaar en beroep (afdeling 4.4.5). Ook onder het regime van de vierde tranche van de Awb geldt dat de bevoegdheid tot uitvaardiging van een dwangbevel slechts bestaat indien zij bij de wet is toegekend (art. 4:115 Awb Pro). Met betrekking tot de invordering van de litigieuze eigen bijdragen is dat laatste niet het geval.
open systeemvan bevoegdheden van art. 3 lid Pro 2 (oud) Invorderingswet 1990. In de memorie van toelichting op de vierde tranche van de Awb wordt hierover het volgende opgemerkt [2] :
moetenmaken van de bestuursrechtelijke procedure als een invorderingsbeschikking kan worden genomen. Daarbij moet echter worden bedacht dat het bedoelde betoog van Michiels betrekking heeft op de invordering van verbeurde bestuursrechtelijke dwangsommen als bedoeld in afdeling 5.3.2 Awb (
“Last onder dwangsom”), in welk verband art. 5:37 lid 1 Awb Pro voorschrijft dat het bestuursorgaan, alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom, bij beschikking omtrent de invordering van die dwangsom beslist. Inderdaad acht Michiels invordering via de burgerlijke rechter als alternatief voor de bedoelde invorderingsbeschikking uitgesloten, maar hij noemt daarvoor als argument dat de wetgever in dit soort (dwangsom)zaken uitdrukkelijk heeft gekozen voor de competentie van de bestuursrechter, die zowel over het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom als over het besluit tot invordering van verbeurde dwangsommen oordeelt (vergelijk het regime van art. 5:33 (oud) jo art. 5:26 leden Pro 2-4 (oud) Awb, waarin verzet tegen het dwangbevel tot invordering van verbeurde dwangsommen bij de burgerlijke rechter openstond). Tegen het entameren van een dagvaardingsprocedure bij de burgerlijke rechter ná het nemen van de invorderingsbeschikking ziet Michiels overigens geen bezwaar. Titel 4.4 van de Awb (
“Bestuursrechtelijke geldschulden”), dat in de onderhavige zaak aan de orde is, kent niet de figuur van de invorderingsbeschikking, maar voorziet slechts in de beschikking waarbij de verplichting tot betaling van een geldsom wordt vastgesteld (art. 4:86 Awb Pro), in bijkomende beschikkingen omtrent verrekening (art. 4:93 Awb Pro), uitstel van betaling (art. 4:94 Awb Pro), verlening van een voorschot (art. 4:95 Awb Pro) en vaststelling van de rente (art. 4:99 Awb Pro), alsmede in de rechtsfiguur van de aanmaning (art. 4:112 Awb Pro) en het dwangbevel (art. 4:114-115 Awb).
geschillenter zake van de invordering [8] van bestuursrechtelijke geldschulden. Zijn (exclusieve) bevoegdheid ter zake betreft slechts de in titel 4.4 Awb voorziene bestuursrechtelijke
besluiten (beschikkingen), waarbij komt dat art. 4:124 Awb Pro buiten twijfel stelt dat het bestuursorgaan ten aanzien van de invordering óók beschikt over de bevoegdheden die een schuldeiser op grond van het privaatrecht heeft. Zonder enige twijfel behoort tot die bevoegdheden de bevoegdheid tot het instellen van een vordering tot betaling van een (bij beschikking vastgestelde bestuursrechtelijke) geldschuld bij de burgerlijke rechter. Het subonderdeel wijst ook terecht erop, dat waar (zoals in casu) niet wettelijk in de mogelijkheid van een dwangbevel is voorzien, een executoriale titel slechts langs privaatrechtelijke weg kan worden verkregen.
Heesch/Van de Akker [9] . Dat het leerstuk van de formele rechtskracht ver strekt blijkt uit de volgende overweging in dit arrest:
facturenover 2005 en 2009 besluiten zijn waartegen bezwaar en beroep op grond van de Awb heeft opengestaan en waaraan eveneens formele rechtskracht toekomt, nu [betrokkene] c.q. [verweerder] daartegen niet (eventueel alsnog met een beroep op verontschuldigbare termijnoverschrijding; zie art. 6:11 Awb Pro) bezwaar heeft gemaakt en beroep heeft ingesteld. Het in rov. 2.23 vervatte oordeel van het hof acht ik rechtens juist. Bezwaar en beroep ingevolge de Awb heeft niet alleen opengestaan tegen de beschikkingen waarbij de maximale eigen bijdragen zijn vastgesteld, maar ook tegen de beschikkingen (de facturen) waarin de te betalen eigen bijdrage per periode in concreto wordt vastgesteld. Dat vindt bevestiging in de rechtspraak van de bestuursrechter, met name in de door het hof in rov. 2.23 genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) van 12 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BK8934, JB 2010/93, met betrekking tot facturen voor op grond van de AWBZ verleende zorg zonder verblijf:
bij afzonderlijke beschikkingmoet zijn vastgesteld (en dat die beschikking bovendien formele rechtskracht moet hebben verkregen), vóórdat het CAK eigen bijdragen in rekening kan brengen, biedt de wet geen steun.
“Maximale periodebijdrage Wmo”), welke maximale bijdrage in géén van de overgelegde facturen is overschreden.
“begrenzing”ter zake van de in rekening te brengen eigen bijdragen zou hebben gegolden. Dat de door het CAK in rekening te brengen eigen bijdragen per periode aan een bepaald maximum waren onderworpen, vloeide niet voort uit de beschikking waarbij het CAK dat maximum had vastgesteld, maar uit de art. 16d en 16e Bijdragebesluit c.q. art. 4.1 Besluit maatschappelijke ondersteuning.
op zichzelfwellicht niet voldoende inzichtelijk hoe die maximale periodebijdragen waren berekend. Ook als dat laatste het geval zou zijn geweest, zou dat echter niet impliceren dat, zoals het hof heeft geoordeeld, aan die facturen een toereikende juridische grondslag ontbrak. Hooguit zouden die (als besluiten in de zin van de Awb aan te merken) facturen in dat geval niet toereikend zijn gemotiveerd, hetgeen de belanghebbende dan langs
bestuursrechtelijkeweg aan de orde had moeten stellen. Ik deel in dit verband niet de opvatting van het subonderdeel dat de
burgerlijkerechter dan had moeten beoordelen of de door het CAK gevorderde bedragen met de AWBZ respectievelijk de WMO en de daarop gebaseerde regelingen in overeenstemming waren.
nietals een noodzakelijk voorwaarde voor invordering van de verschuldigde eigen bijdrage geldt. Hiervóór (onder 2.27) concludeerde ik reeds dat de klachten van het subonderdeel in zoverre gegrond zijn.