Uitspraak
28 juni 1996.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen de Ontvanger van de Belastingdienst en de M-groep, die handelt in kasgeld- en vervangingsreserve-vennootschappen. De Ontvanger vordert schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van de M-groep, dat heeft geleid tot het onmogelijke maken van invordering van belastingschulden van deze vennootschappen.
De Rechtbank verklaarde de dagvaarding nietig en wees de vordering van de Ontvanger af, maar het Hof oordeelde dat de Ontvanger ontvankelijk was in zijn vordering en gelastte een comparitie van partijen. De Hoge Raad onderzoekt in cassatie of de ontvanger bevoegd is een dergelijke vordering in te stellen, gelet op de Invorderingswet 1990.
De Hoge Raad stelt vast dat de ontvanger bevoegd is in rechte op te treden in alle rechtsgedingen voortvloeiende uit de uitoefening van zijn taak, waaronder ook een vordering uit onrechtmatige daad die ziet op het verhinderen van invordering. Dit volgt uit het open systeem van bevoegdheden in de Invorderingswet 1990. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling en beslissing.
De uitspraak bevat tevens een uitgebreide analyse van de bevoegdheden van de ontvanger, de aard van de vordering, en de toepasselijkheid van bepalingen uit de Invorderingswet, waaronder art. 40 en Pro 49. Tevens wordt ingegaan op de gevolgen van de schadevergoeding voor de belastingschulden en de verhouding tussen partijen.
De Hoge Raad veroordeelt partijen in de kosten van het geding in cassatie en bepaalt dat de ontvanger niet afhankelijk is van een verklaring tot afboeking van de te ontvangen bedragen op aanslagen voor zijn ontvankelijkheid.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat de ontvanger bevoegd is tot vordering van schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen dat invordering van belastingschulden verhindert en verwijst de zaak terug naar het hof.